The Chinese Eclipse

The Chinese Eclipse


(gǔihài rìshí tīanrén bēng - When the sun is eaten on a gui hai day, the heaven-man dies)

The omen that confused the Jesuits of the China mission

Table of Contents

Chapter 1: solar eclipses
Chapter 2: a solar eclipse that took place during the crucifixion of Jesus Christ
Chapter 3: a solar eclipse during the reign of Emperor 光武 Guāngwǔ
Chapter 4: eclipses and the early Jesuit Chinamission
Chapter 5: new evidence for the "passion eclips"?


Over the centuries, numerous attempts have been made to prove the veracity of the bible. There were quests to find Noah’s ark, the holy shroud was subject to scrutiny, and there were searches for other sources that could possibly verify biblical events.

But when historian Edward Gibbon in his Decline and Fall of the Roman Empire talked about the 'darkness over Golgotha', he easily discarded a discussion which had been held for several centuries about it1. It was a debate on an eclipse which was mentioned in one of the Biblical evangelies. A discussion which reached its zenith when Jesuits of the China-missions found an eclipse in Chinese historical records which could have taken place at the time of the crucifixion.

The discussion whitered away and was forgotten. When the historian Donald F. Lach who in 1940 in the Journal of the American Oriental Society reviewed the works of Andreas Müller, one of the participants in the discussion, he didn't seem to know at all about the polemics surrounding the eclipse2.

This essay describes one example of how Jesuits of the China mission struggled with the discovery of China's language and culture, while trying to use information they found to prove the truthfullness of the bible in order to gain acceptance for their religion at the Chinese court.

Chapter 1: solar eclipses

De baan van de maan om de aarde is evenals die van de aarde om de zon bij benadering een cirkel. De vlakken van de twee cirkels maken een hoek van ongeveer 5 graden en de maanbaan snijdt het vlak van de aardbaan in twee punten: de "knopen." Bij de "klimmende knoop" beweegt de maan zich van de zuidzijde naar de noordzijde van de aardbaan, bij de "dalende knoop" omgekeerd3.

fig.1 Maanknopen

Dat de zon soms geheel door de maanschijf kan worden bedekt, waardoor er een totale zonsverduistering optreedt, is het gevolg van twee omstandigheden: 1. Het feit dat de maanbaan het vlak van de aardbaan in de knopen snijdt en zon en maan zich dus (vanaf de aarde gezien) in elkaars directe nabijheid kunnen bevinden. 2. Het feit dat de maan ongeveer 400 maal kleiner is dan de zon, maar ook ongeveer 400 maal dichter bij de aarde staat, zodat zon en maan aan de hemel vrijwel even grote schijven vertonen (0.5°). Door deze omstandigheid kan de top van de schaduwkegel, die de maan, door de zon beschenen, achter zich werpt op het aardoppervlak terecht komen4.

fig.2 Zonsverduisteringssituatie

De maan staat niet stil in haar baan en bovendien draait de aarde om haar as; beide bewegingen hebben plaats in dezelfde richting: van west naar oost. De draaiende beweging van de aarde heeft tot gevolg dat de schaduw van de maan, in het geval van een zonsverduistering, zich van west naar oost over de aarde verplaatst. De top van de schaduwkegel bestrijkt daardoor in de loop van de tijd een vele duizenden kilometers lange strook, waarbinnen de verduistering achtereenvolgens te zien is.

De breedte van deze "totaliteitszone" kan variëren van 1 tot meer dan 300 kilometer. Iemand binnen dit verduisteringsgebied ziet de maan van west naar oost voor de zon langschuiven. Waarnemers buiten de totaliteitszone zullen de zon slechts gedeeltelijk verduisterd zien; ze bevinden zich in de "bijschaduw" van de maan en nemen een partiële zonsverduistering waar; wanneer de afstand tot de totaliteitszone te groot is, neemt men in het geheel geen zonsverduistering waar5.

fig.3 Totaliteitszone

Zons- en maansverduisteringen verlopen volgens een vast patroon en de periode waarin ze plaatsvinden zijn, indien men alle bewegingen van zon, maan en aarde meeberekent, nauwkeurig te reconstrueren en te voorspellen.

Astronomer Theodor
von Oppolzer (1841-1886)

In het westen werd de eerste al-omvattende poging daartoe gedaan door de Oostenrijkse astronoom Theodor Ritter von Oppolzer in zijn Canon der Finsternesse, gepubliceerd in 1887, waarin hij meer dan 13.000 zons- en maansverduisteringen tussen 1207 v.C. en 2161 berekende. De moderne Nasa Eclipse Website berekent dat er tussen het jaar 1999 voór Christus tot en met het jaar 3000 AD in totaal 11898 zonsverduisteringen plaatsvinden, waarvan 3173 totale zonsverduisteringen (26,7%) en 3956 ringvormige (33,2%).

In de periode tussen 26 en 33 AD waarbinnen volgens de meeste theorieën de dood van Christus plaatsvond, vonden volgens Oppolzer en de Nasa vijf totale of ringvormige zonsverduistingen plaats over het Eurasiatische sub-continent:

fig.4 Eclipsen in de periode 27 - 46 AD volgens de Canon der Finsternesse van Theodor von Oppolzer

Maar voor dit verhaal gaan we terug naar een tijd waarin zonsverduisteringen niet werden gezien als natuurlijke vershijnselen die door mathematische berekeningen zijn te voorspellen.

The effect of eclipses on mental & physical health

Detailed View of a Solar Eclipse Corona Miloslav Druckmüller (Brno University of Technology), Martin Dietzel, Peter Aniol, Vojtech Rušin
for more sources see here

"The simple act of standing within the shadow of the Moon affords the rare and unprecedented opportunity to gaze directly at the halo of million-degree plasma surrounding our star. Twisted, and constrained by the Sun's enormous magnetic fields, the solar corona is revealed to the naked eye only during the brief secods when the Moon completely blocks the brilliant disk of the Sun"note: remark by Fred Espenak, Nasa scientist and one of the authors of Nasa's eclipse database, in Russo, K. Total Addiction - The Life of an Eclipse ChaserBerlin: Springer, 2012, p.1

A 1988 study in the British Journal of Ophtalmology warns that extended staring at the sun may cause solar retinopathy and irreparable visual damage. They based their findings on four cases where people voluntarily stared into the sun for periods up to 45 minutes. Three of them had gone to Mejugorje, in Bosnia and Herzegovina, where they hoped to witness miracles connected to Our Lady of Medjugorje, including a phenomenon called "the spinning sun". One person describes how, while staring at the sun, "he noticed a black spot, and when he looked away the black spot persisted. His vision was extremely blurred and worsened over the next day. He was unable to recognise people, but over the next week his vision improved." Another person says that "While staring at the sun it went a deep green, surrounded by a gold rim, and when she looked away her vision was blurred." After the experience, all were faced with a permanent partial loss of vision. The article warns for the dangers of sun gazing "whether during religious rituals, sun bathing, or eclipse watching footnoot with source here."

Eclipes in popular culture

Eclipse by Hergé

Eclipses play an crucial role in some of the books and films enjoyed by millions. One of the best-known fictuous eclipses is probably the one featuring in the 1946 Belgian comic Tintin et le Temple du Soleil. Reporter Tintin and his friends find themselves imprisoned in the Andes by the Incas and are about to be executed. But while awaiting their ordeal in a prison cell, Tintin discovers a scrap of newspaper on the floor that mentions an eclipse that would take place at exactly the same time of his execution.

Tintin uses this knowledge and pretends he can tell the sun - reverred as a god by the Incas - what to do. They are terrified, beg Tintin to call back the sun and release him and his friends after he does so.

Hank Morgan claims he can darken the sun in Mark Twain's
A Connecticut Yankee in King Arthurs' Court
, creating panic.

Tintin's story may have been inspired by an episode in Mark Twain's A Connecticut Yankee in King Arthurs' Court where American engineer Hank Morgan is somehow teleported to 6th century England where he is captured by Sir Kay, one of Arthur's knights, who condemned him to die at the stake after capturing him. Morgan remembered that the date and time (21 June 528 AD) coincided with an solar eclipse and, like Tintin later, used this knowledge to impress upon his terrified audience that he was able to control the sun and was released. [NOOT: it is indeed a work of fiction because according to Oppolzer no eclipse took place over England or Northern America at that date and time].

Morgan (and his creator Twain) says that may have been inspired by Christopher Columbus, "you see, it was the eclipse," he says when he struggles to find ideas to gain time, "it came into my mind in the nick of time, how Columbus, or Cortez, or one of those people, played an eclipse as a saving trump once, on some savages, and I saw my chance."

Also based on this event is an episode in the 1885 novel King Solomon's Mines by Rider Haggard and a similar plot appears in Enid Blyton's The Secret Mountain where a group of children are captured by an African tribe that worships the sun: they escape by threatening to extinghuish it using prior knowledge of an upcoming eclipse.

Eclipses feature in various science-fiction novels and films, notably Isaac Asimovs Nightfalll and historical novels like Trade Winds to Meluhna by Vasant Davé and Elsa Hart's Jade Dragon Mountain. Horror writer Stephen King uses one eclipse to add darkness to plots in two separate novels: Gerald's Game and Dolores Claiborne (both 1992, both turned into movies).

Chapter 2: a solar eclipse that took place during the crucifixion of Jesus

Over de datum van de kruisiging zijn in de loop der eeuwen talloze discussies geweest. Pogingen tot datering zijn ofwel gebaseerd op het vergelijken van kalendergegevens, ofwel op vergelijking van in de Bijbel opgetekende en achteraf berekende natuurverschijnselen. Schattingen liepen uiteen van 26 tot 33. Bijbelspecialist Jack Finegan vat de meest waarschijnlijke resultaten van deze discussies samen in zijn Handbook of Biblical Chronology: Principles of Time Reckoning in the Ancient World and Problems of Chronology in the Bible, en geeft voor de datum van de kruisiging twee mogelijkheden: vrijdag 7 april 30 of vrijdag 3 april 336. Op een van de natuurverschijnselen of wonderen tijdens de kruisiging gaan we nu nader in.

De Duisternis over Golgotha

Nadat Jezus Christus aan het kruis was genageld en op het punt stond de geest te geven, vond er een opmerkelijke gebeurtenis plaats. Lucas 23:44-45 zegt:

Καὶ ἦν ἤδη ὡσεὶ ὥρα ἕκτη καὶ σκότος ἐγένετο ἐφ' ὅλην τὴν γῆν ἕως ὥρας ἐνάτης τοῦ ἡλίου ἐκλιπόντος, ἐσχίσθη δὲ τὸ καταπέτασμα τοῦ ναοῦ μέσον. ("En het was omtrent de zesde ure en daar werd duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe en de zon werd verduisterd.")

Fig.5 Gustave Doré, The Darkness at the Crucifixion

Het "zesde uur" is het zesde uur van de dag die 's morgens om zes uur begint, dus de duisternis duurde van twaalf uur tot drie uur ’s middags7. Ook Mattheus 27:45 en Marcus 15:33 spreken over deze drie uur van duisternis8. maar Johannes 19:16-37 gaat er in het geheel niet op in. De duisternis heerste "over de gehele aarde;" het is mogelijk om het Griekse γῆν met "aarde" te vertalen, maar het kan ook op een bepaald gebied daarvan slaan, dat wordt aangeduid met "het gehele land" oftewel Palestina9. Lucas is de enige die een zonsverduistering als reden voor de duisternis opgeeft: τοῦ ἡλίου ἐκλιπόντος, "omdat de zon werd verduisterd." ἐκλειπειν is een technische term die, wanneer gebruikt in verband met zon of maan, altijd "verduisteren" betekent10. Een andere versie van het Nieuwe Testament geeft καὶ εσκοτσθε ὁ ἡλίος11, "en de zon werd verduisterd,"maar dit maakt voor de vertaling nauwelijks verschil.

Daar de kruisiging echter vlak vóór het Joodse paasfeest dat in het midden van de maanmaand viel plaatsvond, dus wanneer er volle maan is, heeft er simpelweg geen zonsverduistering kunnen plaatsvinden. Om de geheimzinnige duisternis te verklaren refereerde Lucas wellicht aan beelden uit de profetische literatuur van het Oude Testament als Amos 8:912 of Joël 2:1013 die aangeven wat er zal gebeuren als de dag des Heren komt.

De duisternis is op verschillende manieren geïnterpreteerd. In de eerste plaats wordt ze uitgelegd als een wonderteken dat moet bewijzen dat Jezus werkelijk de zoon van God was. Sommigen denken echter aan een stofwind of dikke wolken14, anderen menen dat het om een maansverduistering gaat. Zo berekende Fotheringham twee (gedeeltelijke) maansverduisteringen die in aanmerking zouden komen: één op 25 april 31 a.D. en één op 3 april 33 AD De laatste zou in Jeruzalem zichtbaar geweest zijn van 18:18 tot 18:37. ἐκλειπειν zou zo op de maan slaan15. J. Humphreys and W. Grame Waddington voeren een uitgebreidere discussie over een mogelijke maansverduistering tijdens de kruisiging en concluderen dat deze datum de meest waarschijnlijke isnoot.

Pogingen om Lucas' eclips te bewijzen

Ver voordat men echter op basis van astronomische berekeningen, kalendervergelijkingen of vergelijking van tekstversies tot conclusies omtrent feitelijkheden in de Bijbel trachtte te komen, meenden sommigen al voor vele gebeurtenissen bewijzen te hebben gevonden. Zo ook voor de kruisigingeclips. Phlegon van Thralles, een vrijgelatene van Hadrianus (regeringsperiode 117-138) schreef in het dertiende boek van zijn Olympiaden:16

"In het vierde jaar van de 202e Olympiade vond er een verduistering van de zon plaats, groter dan enige die ervoor was waargenomen, en de nacht kwam op het zesde uur van de dag, zo dat de sterren in feite verschenen in de lucht, en een grote aardbeving vond plaats in Bithynie en vernietigde een groot deel van Nicea"

Het werk van Phlegon is echter grotendeels verloren gegaan. Bovenstaand fragment wordt geciteerd door Eusebius (265-339) die het stuk wellicht aanhaalde om de kruisigingeclips geloofwaardig te maken. Julius Africanus (2e/3e eeuw) schrijft verder aan Phlegon de opmerking toe, dat "ten tijde van keizer Tiberius een volledige zonsverduistering vanaf het zesde tot het negende uur bij volle maan heeft plaatsgevonden17." maar Origen Adamantius (c.185-253) zegt in zijn Contra Celsum niet dat Phlegon het over een eclips bij volle maan had18. Zoals uit het bij Eusebius geciteerde fragmenten blijkt is er inderdaad geen sprake van een volle maan.

Johannes Kepler (1571-1630) was de eerste die op basis van kalendervergelijking en berekeningen probeerde te bewijzen dat de kruisigingeclips dezelfde was als de "Phlegontische." In zijn Tabulae Rudolphinae 19 geeft hij verschillende manieren om de Olympiaden te berekenen. Zo komt hij tot de conclusie dat de "Phlegontische" verduistering plaatsgevonden moet hebben in 31 n.C. Weliswaar wordt het vierde jaar van de 202e Olympiade volgens de meest gangbare rekenwijze gesteld op 32 n.C., maar, aldus Kepler, er is een fout geslopen in de tekst van Phlegon en moeten we de δ (die het vierde jaar van de Olympiade aangeeft) lezen als γ (het derde jaar = 31 n.C.)20.

Kepler slaat hier de plank mis. Er zijn weliswaar twee eclipsen geweest in het jaar 3121, maar deze waren niet zichtbaar in Palestina. Eén ervan had zijn totaliteitszone zelfs precies boven China, waar hij werd waargenomen door keizer Guangwu en een zekere Zheng Xing, die meende deze verduistering te moeten aangrijpen om de keizer te kritiseren. Deze wordt in een volgend hoofdstuk uitvoeriger behandeld.

De Duitse astronoom Johann Friedrich Wurm (1760-1833) meende dat de duisternis bij de kruisiging en de "Phlegontische" eclips twee verschillende dingen waren die door Eusebius handig bij elkaar werden gevoegd22. De "Phlegontische" verduistering zou echter uiteindelijk door de astronomen bepaald worden op 29 november omdat dat de enige was die in de 202e Olympiade zichtbaar was in (Noord-) Palestina23.

Chapter 3: a solar eclipse during the reign of Emperor 光武 Guāngwǔ

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de gebeurtenissen rond de zonsverduistering die plaatsvond op 10 mei 31 n.C. die historicus 范晔 Fàn Yè optekende in zijn magistrale 後漢書 Hòu hàn shū ( - Annalen van de Late Han), de officiele kronieken van deze dynastie die duurde van 206 tot 220 AD24 24a .Ook wordt het eerdere geschiedwerk 後漢記 Hòu hàn jì (HHJ - Optekeningen van de Late Han) van 袁宏 Yuán Hóng geraadpleegd25. We hoeven er niet aan te twijfelen of deze eclips werkelijk heeft plaatsgevonden, Oppolzer's Canon der Finsternesse laat hierover geen twijfel bestaan26.

In dit hoofdstuk zal worden gekeken naar de natuurlijke gang van zaken die men in China volgde na de waarneming van eclipsen en vervolgens zal worden ingegaan op de zonsverduistering van 10 mei 31 AD en een analyse geven van registratie en reactie.

De Chinese Reactie op zonsverduisteringen

Zonsverduisteringen werden, net als aardbevingen, droogten of overstromingen, beschouwd als "rampen27," dat wil zeggen waarschuwingen aan het adres van de keizer dat er iets aan diens bestuur haperde. Zonsverduisteringen, 日蝕者 rì shí zhě, “de zon wordt verorberd” en andere verdachte natuurverschijnselen werden nauwkeurig bijgehoudin in de Chinese annalen. Wanneer zulke tekenen aan de troon werden gemeld, konden de reacties uiteenlopen. Een groot aantal werd genegeerd, of liet in het geheel geen spoor van enigerlei reactie achter28.

Een aanzienlijk aantal leverde echter wel een reactie op. Wanneer er een zonsverduistering of een aardbeving29 aan de troon werd gemeld, kon er een 詔 zhào, decreet, worden uitgevaardigd dat gericht was aan bepaalde lagen van de bureaucratie. Sommige decreten werden door de keizer zelf geschreven, sommige werden gedicteerd. Sommige werden door hoge ambtenaren geschreven en, al of niet van historische precedenten en citaten uit de Klassieken voorzien, ter goedkeuring aan de keizer voorgelegd30. In decreten werden de hogere ambtenaren opgeroepen om kandidaten met bepaalde kwaliteiten aan te bevelen voor bestuursposten of om memories in te dienen, waarin "oprechte kritiek" op de keizer en diens bestuur moest worden geuit31. Op deze manier voorzag het memorialiseren van "onnatuurlijke32" verschijnselen in een varm van inderecte kritiek die goed bruikbaar was, daar me er niet voor gestraft kon worden33. In geval van uitnodiging tot kritiek werden de Memories aan de troon van de keizer gepresenteerd in de vorm van 封事 fēng shì, "verzegelde documenten."

De eclips op 10 mei 31 AD


Deze zonsverduistering wordt in de HHS zowel in de 本記 Běnjì (Annalen, p.52) als in de 五行志 Wǔxíng zhì, (Verhandeling der Vijf Fasen, p. 3885) en de biografie van de hofmagistraat 鄭興 Zhèng Xīng (p. 1221) en ook in de HHJ (p.63) vermeldt met de volgende woorden:

Jiànwǔ qīnián sānyuè guǐhài huì
rì yǒu shí zhī

"In het zevende jaar van Jianwu34, derde maand, op de dag guihai, de laatste dag van de maand, was er een zonsverduistering."

建武 Jiànwǔ is de eerste regeringstitel van keizer 光武 Guāngwǔ; 癸亥 gǔihài is het laatste duo van de 60 cyclische tekens die gebuikt worden bij het aangeven van jaren, maanden en dagen.

Reactie van het Hof (volgens HHS)

Nadat de verduistering aan de keizer was gemeld reageerde deze volgens de HHS Annalen (p. 52) als volgt:

bì zhèng diàn qǐn bīng bù tīngshì wǔ rì
"De keizer meed de Centrale Hal,
schortte militaire activiteiten op
en hield vijf dagen geen hof."

Dit is een standaardformule, die echter naar aanleiding van zonsverduisteringen niet in de HS en nog slechts twee maal in de HHS (p. 130 en p. 376, resp. op 26 dec. 75 en 4 aug. 194) wordt gebruikt. Naast deze reactie vaardigde de keizer twee decreten uit. Wanneer we de vijf dagen die de keizer geen hof hield in acht nemen zou het eerste op 15 mei vallen; het tweede werd op 29 mei uitgevaardigd.

Decreten HHS

Het eerste decreet luidt als volgt35:

(1) 吾德薄致災謫見日月
(2) 戰慄恐懼夫何言哉今方念愆庶消厥咎
(3) 其令有司各修職任奉遵法度惠茲元元
(4) 百僚各上封事無有所諱其上書者不得言聖

(1) Onze deugd vertoont onvolkomenheden hetgeen rampen veroorzaakt en reprimandes, zichtbaar gemaakt door zon en maan36.
(2) Wij sidderen en beven en weten niet wat te zeggen. Nu overpeinzen Wij Onze fouten opdat Onze onvolkomenheden en de rampen zullen verdwijnen.
(3) Wij bevelen elke hoogwaardigheidsbekleder zijn taken en competenties op orde te brengen, de wetten en regels hoog te houden en te respecteren, en het volk te behandelen als zijn eigen kinderen.
(4) Al Onze honderd ambtenaren moeten verzegelde memories indienen waarin zij niets verzwijgen. Bij het indienen van memories is het karakter "heilig" verboden."

Veertien dagen later, op 29 mei 31 AD werd er opnieuw een decreet uitgevaardigd:

(5) 比陰陽錯謬日月薄食
(6) 百姓有過在予一人
(7) 大赦天下
(8) 公卿司隸州牧舉賢良方正各一人遣詣公車朕將覽試焉

(5) "Onlangs waren Yin en Yang uit balans en in wanorde; daardoor ontstond er een zonsverduistering.
(6) De fouten die er onder het volk zijn, zijn te wijten aan een persoon: aan Ons.
(7) Er zal een algehele amnestie zijn
(8) Laat elke Excellentie, Minister, het Hoofd van de Grootstedelijke Provincie en elke Provinciale Gouverneur een persoon voordragen in de categorieën "wijs en goed" en "eerlijk en oprecht." Ze moeten zich vervoegen bij de Staatswagenpoort37. Ikzelf zal ze inspecteren en examineren."

De taal waarin de twee decreten staan gesteld is zeer formeel en bestaat uit formules die in wisselende volgorde en met wisselende frequentie ook in andere decreten, vaak naar aanleiding van zonsverduisteringen, voorkomen.

Het eerste decreet kan worden ingedeeld in vier stukken die grofweg op het volgende neerkomen: (1) de keizer concludeert op basis van een zonsverduistering dat zijn deugd onvoldoende is. (2) De keizer is bang. (3) De hoogwaardigheidsbekleders moeten zich verbeteren. (4) De excellenties en ambtenaren moeten kritiek uiten op de keizer.

Ook het tweede decreet kan men in vieren splitsen: (5) 陰 yīn en 陽 yáng zijn niet in harmonie, vandaar de zonsverduistering. (6) de fouten onder het volk zijn slechts aan de keizer zelf te wijten; (7) de keizer kondigt daarom een algehele amnestie af; (8) bepaalde groepen ambtenaren moeten capabele personen aanbevelen.

In totaal zijn er in de Annalen en de Verhandelingen van de HS38 en de HHS 129 zonsverduisteringen opgetekend; het totaal van de decreten dat naar aanleiding hiervan werd uitgevaardigd bedraagt 2639. Hiervan zijn er zestien naar aanleiding van een zonsverduistering op de laatste dag van de maand 晦 huì,negen naar aanleidng van een verduistering op de eerste dag van de maand 朔 shùo, en één naar aanleiding van een eclips op een andere dag.

Wanneer we de terminologie van het eerste zonsverduisteringsdecreet van het jaar 31 AD bestuderen dan blijkt dat deel (1) of stukken daarvan in min of meer dezelfde bewoordingen twaalf maal voorkomt in andere eclips-decreten; deel (2) acht maal; deel (3) zes maal en deel (4) tien maal; deel (5) tweemaal; deel (6) vijf maal; deel (7) éénmaal en deel (8) dertien maal.

Het verbod op het gebruik van het karakter 聖 shèng, "heilig" komt slechts tweemaal in de Annalen van de HHS voor; in feite is de tweede maal dat het gebezigd wordt een verwijzing naar het decreet van 15 mei 31 AD40. Het werd uitgevaardigd door Keizer 明 Míng (regeringsperiode 58-76 AD) en de betreffende passage luidt als volgt:

" ... een decreet van de vorige keizer verbood het gebruik van het woord 聖 shèng, "heilig," maar de laatste tijd werden de memories toch weer te hoogdravend. Vanaf nu moeten overdreven eerbetuigingen en valse lof door de secretarissen41 worden tegengehouden, en dergelijke memories mogen niet onder Onze aandacht worden gebracht, zulks om te tonen dat Wij Ons door vleiers niet bespottelijk laten maken."

Het decreet waaruit dit citaat komt, uitgevaardigd in regeringsperiode 永平 yǒng píng, 6e jaar, 2e maand, naar aanleiding van de vondst van een 寶鼎 bǎo dǐng, een bronzen offervat, hetgeen geldt als een gunstig voorteken.

Decreet HHJ

De HHJ (p. 63) maakt voor wat betreft de zonsverduistering van de 3e maand van 建武 Jiànwǔ 7, geen melding van een decreet. Opmerkelijk is echter het feit, dat daarin wel een zonsverduistering vermeld wordt in de eerste maand, ook op de dag gui hai, waar wel een decreet op volgde:

(5) 比陰陽錯謬日月薄食
(6) 百姓有過在予一人
(7) 大赦天下
(8) 公卿 ...
(4) ... 百僚各上封事無有所諱
(8) ... 舉賢良方正各一人

(5) "Yin en Yang waren uit balans en in wanorde; daardoor ontstond er een zonsverduistering.
(6) De fouten die er onder het volk zijn, zijn te wijten aan een persoon: aan Ons.
(7) Er zal een algehele amnestie zijn.
(8) Laat elke Excellentie, Minister ...
(4) ... en alle honderd ambtenaren verzegelde memories indienen waarin zij niets verzwijgen ...
(8) ... en een persoon voordragen in de categorieën "wijs en goed" en "eerlijk en oprecht."

De cijfers tussen haakjes corresponderen met identieke stukken in de HHS decreten. Een en ander wekt de indruk dat de auteurs van de Annalen van de HHS (范晔 Fàn Yè) en van die van de HHJ (袁宏 Yuán Hóng) hun informatie weliswaar uit dezelfde bronnen hebben, maar deze op verschillende manieren verwerken.

Vergelijking HHS en HHJ decreten

Welke versie benadert de werkelijkheid het best? Vier gegevens pleiten tegen de zorgvuldigheid van de HHJ:

  1. 公卿百僚名上封事 gōng qīng bǎiliáo míng shàng fēng shì: in geen van de decreten (n.a.v. zonsverduisteringen in de Annalen van de HS en HHS) wordt deze combinatie gebruikt. Ofwel de 公 gōng en de 卿 qīng moeten iets doen, bijvoorbeeld memories indienen of mensen aanbevelen. Ofwel de 百僚 bǎi liáo, de "honderd ambtenaren." 百僚 bǎi liáo is een verzamelnaam voor alle ambtenaren, waaronder dus ook de 公 gōng en de 卿 qīng,zodat het hier overbodig is.
  2. De eerste maand van 建武 Jiànwǔ 7 heeft weliswaar een dag met het cyclische duo 癸亥 guǐhài, maar deze valt op de 29e dag van de maand, en kan er dus geen sprake zijn van een "laatste dag van de maand" 晦 huì.
  3. Daar de zonsverduistering in de 3e maand, dag 癸亥 guǐhài bewezen is42, kan er in de eerste maan geen hebben plaatsgevonden. Weliswaar kunnen twee verduisteringen kort na elkaar voorkomen, maar de periode hiervan bedraagt nooit meer dan een maand; de eerstvolgende eclips kan pas een half jaar later komen43. tussen de 1e maand, dag 癸亥 guǐhài en de 3e maand, dag 癸亥 guǐhài, zijn 60 dagen = 2 maanden.
  4. Als reactie op het decreet dient 馮衍 Féng Yǎn een memorie in, die gevolgd wordt door een betoog van 袁宏 Yuán Hóng over laster. De memorie wordt ook vermeld in 馮衍 Féng Yǎn's biografie in de HHS, maar dan als reactie op een zonsverduistering in 建武 Jiànwǔ 6e jaar, 9e maand, dag 丙寅 bìngyīn (14 nov. 30)44! Deze eclips wordt verder niet genoemd in de HHJ.

Op basis van deze gegevens moet men concluderen dat het hele stuk 癸玄 - 見之 gǔi xuán - jiàn zhī in de HHJ niet op de juiste plaats staat (evenals het betoog over laster dat 袁宏 Yuán Hóng houdt naar aanleiding van de memorie van 馮衍 Féng Yǎn) en dat de HHS versie het meest waarheidsgetrouw is.

De 五行志 Wǔxíng zhì, "Verhandeling der Vijf Fasen"

In de 五行志 Wǔxíng zhì, (Verhandeling der Vijf Fasen) van de HS en de HHS staan bij elkaar 126 eclipsen opgetekend45. In zijn ideale vorm zou elke vermelding moeten bestaan uit (1) de datum en de beschrijving van het teken, (2) de interpretatie van het teken volgens de gezaghebbende geleerde, en (3) de reactie erop in de vorm van een 38 historische gebeurtenis46. De zonsverduistering van 建武 Jiànwǔ 7e jaar, 3e maand, dag 癸亥 guǐhài staat dan ook als volgt vermeld:

(1) In de derde maan dan het zevend jaar op de dag 癸亥 guǐhài, op de laatste dag van de maand, was er een zonsverduistering in de vijfde graad van het sterrenbeeld 畢 47.
(2) 畢 staat voor "strijdgewoel aan de grens.”
(3) In de herfst kwam 隗嚣 Wěi Aó48 in opstand en trok 安定 Āndìng49 binnen. In de winter gaven zowel de Groot-Administrateurs van (het prefectuur) 朔方 Shùofāng50 als die van (het prefectuur) 雲中 Yúnzhōng51, beide door 鹿芳 Lù Fāng52 aangesteld, hun prefecturen over53.

Commentator 劉昭 Líu Zhāo (502 - 520) voegt er in een noot een opmerking uit de 潜潭巴 Qían tán bā54 aan toe:

guǐhài rìshí tiānrén bēng
"Wanneer er op guihai een zonsverduistering is, dan sterft de hemelse mens."

Aan veel zonsverduisteringen is in de Verhandeling der Vijf Fasen een opmerking uit deze apocrief van de 春秋 Chūnqīu toegevoegd.

De memorie van 鄭興 Zhèng Xīng - HHS-versie

Naar aanleiding van het decreet van keizer 光武 Guāngwǔ dat opriep tot het "indienen van verzegelde documenten", waarin niets verzwegen mocht worden, werd er tenminste één grote memorie aan de keizer voorgelegd, en wel door Grootgrande van het Paleis55 鄭興 Zhèng Xīng56 Deze memorie is ons bekend uit diens biografie in de HHS (p. 1221-1222) En in de HHJ (p. 64). Op welke dag 鄭興 Zhèng Xīng zijn memorie precies indiende is niet bekend; de HHS zegt: "In de derde maand van het volgende jaar57 was er een zonsverduistering. Daarop diende 興 Xīng een memorie in:"

封事 Memorie

van 鄭興 Zhèng Xīng
naar aanleiding van een zonsverduistering
(後漢書 Hòu hàn shū-versie)

(1) De 春秋 Chūnqiū beschouwt het als een ramp, wanneer de hemel de seizoenen omkeert, als een monstruositeit, wanneer de aarde haar voortbrengselen omkeert als chaos, wanneer de mens in tegenspraak van de deugd handelt. Wanneer er chaos is, dan worden monstruositeiten en rampen voortgebracht58.
(2) Sinds de afgelopen jaren zijn er onophoudelijk waarschuwingen en reprimandes te zien geweest; denkelijk schort het enigszins aan de afhandeling van regeringszaken.
(3) Volgens de 春秋 Chūnqiū, hertog 昭 Zhāo, 17e jaar, zomer, 6e maand, dag 甲戌 jiǎxū, vond er een zonsverduistering plaats59. De 左傳 Zuǒzhuàn zegt:

'Wanneer de zon de equinox is gepasseerd en het solstitium nog niet heeft bereikt, en wanneer zich bij de drie lichtgevende hemellichamen60 een ramp voordoet, dan dragen de ambtenaren eenvoudige kleding; de haar houdt geen overvloedige maaltijden, hij trekt zich terug totdat de periode (van de eclips) voorbij is; de muzikanten slaan op de trom; de priester brengt offers en de geschiedschrijver schrijft een rede61.

(4) Nu gaat het om de vierde maand, wanneer pure 乾 qián62 heerst, en de 陰 yǐn essentie nog niet werkzaam is, is deze ramp dus bijzonder groot.
(5) Welnu, wanneer de staat zonder goed bestuur is, dan roept dit vanzelf een reprimande op in de vorm van een ramp van de zon of maan. Wanneer rampen en onheil zich aandienen, dan kan men dat niet negeren; de essentie ligt in een instelling, die meegaat met de (wensen) van het volk en in het kiezen van de juiste man op de juiste plaats63.

(6a) Dat 堯 Yáo als eerste minister 鯀 Gǔn aanstelde, hoewel hij wist dat deze niet capabel was, bewijst de wijsheid waarmee (堯 Yáo) zichzelf wist te buigen en zijn instelling om de wensen van het volk te eerbiedigen64.

(6b) Dat 楦 Xuàn van 齊 Qí 管仲 Gǔan Zhòng aanstelde als minister nadat hij het bestuur weer op zich had genomen65;

Dat 文 Wén van 晋 Jìn 郤縠 Xì Hú aanstelde nadat hij in zijn eigen land weer aan de macht was gekomen66 bewijst dat ze niet toegaven aan hun egoïsme en dat ze de juiste man op de juiste plaats kozen.

(7)De laatste tijd zijn er onder de Excellenties, Minister en Grandes velen die de Groot-Administrateur van 漁陽 Yúyáng67, 郭伎 Guō Jì68 aanbevelen als geschikt voor de functie van Groot-Minister van Werken69, maar over deze gelegenheid is niet tijdig een beslissing genomen.

(8) Op straat gaat er een gerucht: iedereen zegt: "Het hof wil per sé iemand aanstellen die zich in de oorlog heeft onderscheiden." Wanneer iemand die zich in de oorlog heeft onderscheiden wordt aangesteld dan raken de ambtelijke posities in de war.

(9) Het ware wenselijk dat Uwe Majesteit enerzijds 堯 Yáo en 舜 Shùn als leraar beschouwt en anderzijds kijkt naar 齊 Qí en 晋 Jìn om de deugd van het Uzelf buigen om het volk te volgen, te vervolmaken en om de verdienste van de ambtenaren ruimte te laten geven aan de besten, te perfectioneren.

(10) Welnu, de conjunctie van zon en maan hoort steeds op de eerste van de maand te vallen. Maar de laatste jaren vallen de eclipsen vaak op de laatste dag van de maand70. Bij conjuncties op een to vroeg tijdstip geldt steeds dat de maan-loop te snel is.

(11) De zon is een afbeelding van de heer, de maan een afbeelding van de onderdaan. Wanneer de heer heftig en gejaagd is dan worden de onderdanen beneden verdrukt en opgejaagd en daarom is hun gedrag gehaast.

(12) In de eerste maand van dit jaar was er overvloedige rijp71 en sindsdien waren er veel koude dagen. Ook dit is een straf voor het overhaast zijn. De hemel verhoudt zich tot de heilige en de wijze als een liefhebbende vader tot zijn piëteitsvolle zoon. Hij waarschuwt herhaaldelijk omdat hij wild at men het bestuur hervormt. Daarom blijven rampen en tekenen zichtbaar, want dit is immers voor het heil van de staat.

(13) Nu is Uwe Majesteit verheven en doorlucht, doch Uw onderdanen zijn gejaagd en gehaast. Het ware passend om een mild bw aandacht te geven aan de regels van de 洪範 Hóng Fàn72 Verzamel wijd en zijn ideëen en neem de plannen van de onderdanen ter harte."

Hierna meldt 鄭興 Zhèng Xīng's biografie: 書奏多有所納 shū zòu duō yǒu suǒ nà "Nadat de memorie was ingediend was er veel van wat (de keizer) zich ter harte nam."

Wanneer de memorie nu van al haar franje wordt ontdaandan blijkt de boodschap ervan tweeledig te zijn. Ten eerste: de keizer had 郭伎 Guō Jì moeten aanstellen als Groot-Minister van Werken om zo de wil van het volk (lees hier: van de hogere ambtenaren) te volgen (1)-(9). Ten tweede: de keizer moet zich rustiger houden met betrekking tot regeringszaken (10)-(13). De memorie begint met enkele citaten uit de Klassieken, geeft historische voorbeelden en zegt dan waar het om gaat. Hiernaast verklaart zij de onnatuurlijke koude sinds het begin van het jaar.

De memorie van 鄭興 Zhèng Xīng - HHJ versie

Ook de HHJ bevat de memorie van 鄭興 Zhèng Xīng, maar de tekst wijkt op sommige punten nogal af van die in de HHS:

封事 Memorie

van 鄭興 Zhèng Xīng
naar aanleiding van een zonsverduistering
(後漢記 Hòu hàn jì-versie)

In de derde maand op de dag 癸亥 guǐhài73 op de laatste dag van de maand, vond er een zonsverduistering plaats. In die tijd werden er vel hoogwaardigheidsbekleders op basis van succes in de oorlog voorgedragen. Het benoemen van mensen op een post gebeurde steeds weer op basis van oude gunsten. De keizer spande zich in om als een subambtenaar te regeren. De gebruiken waren zeer streng74 daarom was er dit teken. Grootgrande van het Paleis 鄭興 Zhèng Xīng diende een memorie in:

(5) Ik heb geleerd dat wanneer er geen goed bestuur is en de juiste mensen niet worden aangesteld, dit een reprimande oplevert in de vorm van een ramp van de zon of de maan. Bestuur kan daarom niet worden verwaarloosd. De juste weg hiertoe is gelegen in drie taken: 1. kies de juiste man op de juiste plaats. 2. Ga mee met (de wensen van) het volk en 3. volg de seizoenen75 Dit is de essentie van wat Uw reactie op dit teken zou moeten zijn.

(6a) In de oudheid, toen 堯 Yáo keizer was, rezen de golven tot aan de hemel. De keizer zocht helpers. De 嶽 Yuè76: zeiden: 'neem 鯀 Gǔn!' De keizer wist dat 鯀 Gǔn niet capabel was, maar toch zete hij zijn eigen gelijk opzij en volgde de fout van de Yue. Het kwam omdat hij het te belangrijk vond om de massa te trotseren.

(6b) In de oudheid hield Hertog 楦 Xuàn van 齊 Qí zich schuil voor moeilijkheden in 莒 Jǔ. 鮑叔 Bào Shū was hem gevolgd. Nadat hij het bestuur over zijn land weer had verkregen beval 鮑叔 Bào Shū 管仲 Gǔan Zhòng aan. Hertog 楦 Xuàn volgde zijn raad op. Daarom had hij het succes dat hij de leenvorsten negen maal bijeen wist te krijgen.

(6c) Hertog 文 Wén van 晋 Jìn vluchtte naar 翟 Zhái. Er bevonden zich vijf personen in zijn gevolg. Nadat hij de macht in 晋 Jìn had teruggekregen wilde hij een opperbevelhebber benoemen; 趙衰 Zhāo Shuāi beschouwde 郤縠 Xì Hú als iemand die zich ernstig bezig hield met de Riten en de Muziek, de 诗 shī de 书 shū als belangrijk beschouwde en zorgde er dus voor dat deze [郤縠 Xì Hú] de leiding kreeg over het centrale leger. De vijf heren waren ondergeschikt aan hem. Dus was deze in staat om een hinderlaag te leggen voor het sterke 楚 Chǔ in 城浦 Chéngpǔ en de zoon des hemels 王城 Wángchéng, binnen te brengen77.

(8) De ambtskleren vereisende ambten vertonen momenteel een lacune78 Wanneer men aan het hof daarover discussieert dan noemt me steevast mensen die in de oorlog succes hebben gehad. Wanneer mensen die in de oorlog succes hebben geboekt aangesteld worden, dan komt er een eind aan aanbevelingen als die van 鮑叔 Bào Shū en 趙衰 Zhāo Shuāi79.

(9) Het ware wenselijk dat Uwe Majesteit 陶唐 Táo Táng80 als leraar beschouwt en anderzijds kijkt naar 齊 Qí en 晋 Jìn om de deugd van Uzelf te buigen om het volk te volgen, te vervolmaken en om de verdienste van de ambtenaren ruimte te laten geven aan de besten, te perfectioneren.

(11) Ik heb geleerd dat wanneer de vorst zijn heldere inzicht tot het uiterste voert, de onderdanen bang zijn om overtredingen te begaan. Dus: de zon is de beeltenis van de heer en de maan is de beeltenis van de onderdaan en wanneer de heer streng en gehaast is dan staat het gedrag van de onderdaan onder druk.

(13) Het ware wenselijk dat U zich bekommert om ruimhartigheid teneinde de deugd van mildheid te eerbiedigen.

Na deze memorie zegt de HHJ simpelweg 不從 bù cóng - "er werd geen gevolg aan gegeven."

Vergelijking HHS- en HHJ-versies van de Memorie van 鄭興 Zhèng Xīng

Qua opbouw komt de HHJ-versie overeen met de HHS-versie: de memorie is opdeelbaar in twee delen. In het eerste (5)-(6c) waarin 鄭興 Zhèng Xīng de keizer aanraadt om "de juiste personen aan te stellen en niet zijn eigen wil te volgen" komen ook eerst enkele citaten uit de Klassieken, gevolgd door historische voorbeelden. Het tweede deel (8)-(13) kritiseert het strenge en gehaaste gedrag van de keizer. Deze delen zijn hier weer opgedeeld in kleinere stukke. De nummers tussen haakjes corresponderen met overeenkomstige stukken in de HHS-versie.

Er zijn echter grote verschillen. Het verschil in omvang springt heet meest in het oog. De HHS-versie telt 363 karakters; de HHJ-versie 256, Bovendie geeft de HHS-versie twee letterlijke en één bijna letterlijk citaat uit de 左传 Zùo Zhuān en een citaat uit de 春秋 Chūn Qīu. Hiernaast noemt het de 洪範 Hóng Fàn.

Aan de andere kant zijn de drie historische voorbeelden (堯 Yáo stelt tegen zijn zin 鯀 Gǔn aan, de hertogen van 齊 Qí en 晋 Jìn stellen ondanks alles respectievelijk 管仲 Gǔan Zhòng en 郤縠 Xì Hú aan) in de HHJ-versie meer gedetailleerd81: ook de mensen die Guan Zhong en Xi Hu op de voorgrond deden treden (respectievelijk 鮑叔 Bào Shū en 趙衰 Zhāo Shuāi) worden genoemd.

Het is daarom zeer verwonderlijk dat men in de HHJ-versie niet spreekt over 郭伎 Guō Jì die in de HHS-versie door 鄭興 Zhèng Xīng wordt gesuggereerd voor de functie van Groot-Minister van Werken! Het grootste verschil zit hem echter in de staart: achter de HHS-versie van de Memorie staat "nadat de Memorie was ingediend trok de keizer zich vele punten aan" terwijl er volgens de HHJ "geen gevolg aan werd gegeven."

Het is moeilijk te achterhalen waar deze opmerkelijke verschillen hun oorsprong vinden, daar de bronnen van zowel de HHS als de HHJ grotendeels verloren zijn gegaan.


Nadat 王莽 Wāng Mǎng in 23 AD was gevallen en de Han-dynastie was hersteld bleven verschillende pretendenten om de troon strijden. Uiteindelijk zou 劉秀 Líu Xìu als keizer 光武 Guāngwǔ in 37 AD een eind maken aan deze burgeroorlog. 隗嚣 Wěi Aó en 盧芳 Lú Fāng, waar in de 五行志 Wǔxíng zhì (Verhandeling der Vijf Fasen) over spreekt waren beide min of meer onafhankelijke "warlords" die de door hun beheerste gebieden angstvallig bewaakten. 隗嚣 Wěi Aó die zijn basis in de huidige provincie 甘肅 Gānsù had, zou uiteindelijk in 33 AD sterven. 盧芳 Lú Fāng die ook vanuit het noordwesten opereerde zou na talloze gevechten met de legers van 光武 Guāngwǔ, mede door toedoen van 郭伎 Guō Jì, uiteindelijk in 36 AD naar de Hunnen vluchten82.

Op 8 februari 31 AD werd 宋弘 Sòng Hóng, tot dan toe Groot-Minister van Werken, ontslagen omdat hij een Groot-Administrateur ten onrechte had beschuldigd83. Pas 126 dagen later, op 14 juni 31 AD werd zijn opvolger 李通 Lǐ Tōng84 aangesteld. 鄭興 Zhèng Xīng heeft de zonsverduistering van 10 mei 31 AD aangegrepen om de keizer te kritiseren wegens het feit dat deze bij het aanstellen van mensen te zeer zijn eigen voorkeur zou voulgen. Ook 申屠刚 Shēntú Gāng, de 尚书令 Shàng Shū Lìng (Prefect van de Secretarissen van de Schrijverij)85 die met 郭伎 Guō Jì en 鄭興 Zhèng Xīng tot dezelfde politieke factie behoorde86, protesteerde rond deze tijd tegen de te persoonlijke selectie van de ambtenaren door de keizer87.

郭伎 Guō Jì die volgens 鄭興 Zhèng Xīng "de laatste tijd door vele Excellenties, Ministers en Grandes" werd aanbevolen voor het ambt van Groot-Minister van Werken88 moest echter toch plaatsmaken voor 李通 Lǐ Tōng, de zwager van de keizer, die dus niet de raad van 鄭興 Zhèng Xīng opvolgde en wel zijn eigen voorkeur deed gelden. Toen de Memorie werd ingediend hing de aanstelling van 李通 Lǐ Tōng waarschijnlijk al in de lucht zodat we onder "mensen die zich in de oorlog ondescheiden hebben" deze persoon moeten verstaan.


De reacties op de in dit hoofdstuk beschreven eclips zijn normaal. Maar wat opvalt is het feit dat er twee decreten zijn na de verduistering. Ook het verbod op het karakter shèng 聖, ‘heilig’ komt in geen enkel ander decreet naar aanleiding van een zonsverduistering voor.

Het volgende hoofdstuk zal duidelijk worden hoe bepaalde passages uitgelegd werden op een manier die de Chinese historiograaf beslist niet gedacht had: het waren de Jezuïeten die in de Chinese Annalen meer lazen dan de Chinezen bedoeld hadden.

Chapter 4: eclipses and the early Jesuit Chinamission

Toen de Chinamissies aan het eind van de 16e en het begin van de 17e eeuw goed op gang kwamen, waren het voornamelijk de Jezuïeten, die grote successen wisten te behalen. Door de toepassing van de door Matteo Ricci (Chinese naam: 利馬竇 Lì Mǎdòu, 1552-1610) ontwikkelde accommodatiestrategie89 wisten ze zich in China een stevige positie aan het hof te verwerven. Hun prestaties op het gebied van astronomie waren van dien aard, dat de Chinezen het de moeite waard achtten om Jezuïeten aan te stellen op posten van het 欽天監 qīntiānjiān (Keizerlijk Bureau van Astronomie) dat belast was met het waarnemen van hemellichamen en het opstellen van de kalender.

De Passie-eclips in de Chinese Jezuïetenpublicaties

Na 1600 kwam ook de publicatie van een groot aantal werken op het gebied van theologie, geografie, astronomie en wiskunde op gang. Het waren werken die de Jezuïeten al dan niet met behulp van Chinese bekeerlingen in het Chinees hadden vertaald. De Bijbel werd omgezet in het Chinees evenals een groot aantal boeken die er commentaar op gaven. In 1635 publiceerde Giulio Aleni (Chinese naam: 艾儒略 Ài Rúlüè, 1582-1649), die zijn missietaken vervulde in de provincies 山西 Shānxī en 福建 Fújiàn, zijn 天主降生出像經解, Tiān zhǔ jiàngshēng chūxiàng jīngjiě (Heilige Uitleg van de Vleesgeworden God, Verlucht met Platen.)

Temidden van 50 illustraties die het leven van Jezus weergeven, bevindt zich een afbeelding van de kruisiging. Er worden tien wonderen aangegeven die plaatsvonden tegen de tijd dat Jezus stierf90 Boven het kruis staat de zon met daaronder een bol waarvan men mag aannemen dat het de maan is, die op het punt staat de zon te gaan bedekken. Tussen 1635 en 1637 verschijnt te 福州 Fúzhōu de eerste editie van Aleni's 天主降生纪录 Tiānzhǔ jiàngshēng jìlù (Optekeningen van de Vleesgeworden God,) later ook wel verschenen onder de titel 天主降生言行纪略 Tiānzhǔ jiàngshēng yánxíng jìlüè (Verslagen van de Woorden en Daden van de Vleesgeworden God.) De kruisiging wordt besproken, en van de eclips zegt Aleni het volgende:

"In die tijd was het de middag van zon en volle maan na de voorjaarsequinox. Zon en maan stonden precies tegenover elkaar en een zonsverduistering is onmogelijk. De maan handelde vervolgens in tegenspraak met haar normale beweging en ging van het westen naar het oosten en bedekte de zonneschijf. Het was duister als de nacht. De constellaties waren alle zichtbaar91."

Ook Adam Schall von Bell (Chinese naam: 湯若望 Tāng Ruòwàng, 1591-1666) visualiseerde en becommentarieerd het heilige evangelie in zijn 進呈書像 Jìnchéng shūxiàng (Tekst en Afbeeldingen ter Schenking Binnengebracht,) dat in 1641 gepubliceerd werd te Beijing92. Er zijn opmerkelijke verschillen met Aleni's 天主降生出像經解, Tiānzhǔ jiàngshēng chūxiàng jīngjiě: de gelaatsuitdrukkingen van Christus en de soldaten zijn duidelijk Chinees, er zijn geen "wonderen" afgebeeld dus ook eclips is onzichtbaar. Ze wordt echter wel omstandig uitgelegd:

"Het hemelse bewijs is dat de zon tegenover de volle maan stond en er toch een zonsverduistering plaatshad. Het is niet volgens de wetten, bovendien was het een volledige verduistering en heerste er op aarde beneden een grote duisternis. Het was een verduistering die lang duurde: de tijdsduur bedroeg twaalf kwartieren.

"Er moeten in andere landen eerbiedwaardige ambtenaren zijn geweest, die op de hoogte waren van astronomie en die haar gezien hebben. Ze moeten geweten hebben dat de Heer des Hemels in moeilijkheden was en zullen zich snel tot het geloof bekeerd hebben om het op te schrijven in vele boeken93."

Voorts vermeldde Schall dat Jezus 33 jaar leefde en stierf op de 22e dag van de derde maand volgens de Westerse kalender94 Adam Schall genoot, dankzij zijn grote technische kennis en eruditie, een bepaald vertrouwen aan het 明 Míng-hof. Toen the 明 Míng-dyanstie viel en in 1644 de Mandsjoes de 清 Qīng-dynastie vestigden slaagden de Jezuïeten er door voorzichtig manoeuvreren in om hun posities aan het hof en het Astronomisch Bureau te behouden en hun bekeringsstrategieën voort te zetten.

Chinese reactie

Tegenstand tegen de Jezuïeten groeide echter. 楊光先 Yáng Guāngxiān(1597-1669) had het tot zijn levenswerk gemaakt om de Jezuïeten te verdrijven. De man stonde al bekend als een dwarsligger: zo werd hij door de laatste 明 Míng-keizer naar 遼東 Liáodōng verbannen wegen aanklachten tegen diens favoriete secretaris95 Na de val van de Ming vestigde hij zich wederom te Beijing en lanceerde steeds feller wordende aanvallen op de Jezuïeten. Hij wierp zich op als verdediger van de Chinese cultuur en had met name kritiek op het feit dat de Jezuïeten met hun kalender onvolkomenheden in het Chinese kalendersysteem aantoonden.

楊光先 Yáng Guāngxiān sloot zich aan bij 吳明炫 Wú Míngxuàn, een moslim die in het astronomisch bureau bij Schall in de schaduw stond en daarover wrok koesterde. 楊光先 Yáng Guāngxiān schreef verscheidene nogal giftige traktaten en vlugschriften, waarin de Christelijke leer werd aangevallen, de Jezuïeten en hun bekeerlingen werden verguisd en hun astronomische methoden werden bekritiseerd. Naar aanleiding van Schalls 進呈圖像 Jìnchéng túxiàng (Platen en Afbeeldingen ter Schenking Binnengebracht , niet te verwarren met 進呈書像 Jìnchéng shūxiàng (Tekst en Afbeeldingen ter Schenking Binnengebracht) 楊光先 Yáng Guāngxiān het traktaatje 臨湯若望進呈圖像說 Lín Tāng Ruòwàng jìnchéng túxiàng shuō, (Uitleg bij de Platen en Afbeeldingen die door Schall werden Geschonken.) Het verscheen in 1659. In het voorwoord zegt 楊光先 Yáng Guāngxiān:

" ... de platen laten zien hoe Jezus werd binnengehaald door het volk en hoe hij gekruisigd werd op lat van de wetten van het land. Deze platen zullen het aan eenieder in de wereld duidelijk maken dat Jezus ter dood werd gebracht als een gewone misdadiger zodat niet alleen vertegenwoordigers uit de bovenlaag geen voorwoorden zullen willen schrijven96 maar zodat ook het gewone volk zich niet zal verwaardigen om zich tot dit soort geloof te wenden.

"Het album dat Schall ten geschenke gaf bestaat totaal uit 64 pagina's geschreven tekst en 48 platen; ter linkerzijde van elke plaat is een uitleg gevoegd. Omdat ik hier niet in staat ben om elke plaat weer te geven, heb ik slechts drie illustraties met uitleg weergegeven; het betreft de intocht van Jezus, Jezus die op het kruis wordt gespijkerd en Jezus aan het kruis. Dit zal aan de wereld tonen dat Jezus niet een gods- en wetsvrezend mens was, doch een samenzwerende wetteloze roversleider. De opmerkingen staan te linkerzijde van de plaat97.

De plaat en de opmerkingen die hier van belang zijn, te weten die van de kruisiging met het commentaar over de zonsverduistering zijn weergegeven, zij het niet geheel zoals bij Schall. De plaat is duidelijk nagetekend van Schalls werk98

Behalve Jezus, de twee misdadigers en twee soldaten, zijn alle menselijke figuren verdwenen, evenals de wolken op de achtergrond. De misdadigers missen de dwarsbalken van hun kruis: hun polsen zijn nu samengebonden (zie fig. 4). Ook in de originele tekst van Schall is enigszins gesneden99 Hierna barst het commentaar van 楊光先 Yáng Guāngxiān los: met allerlei tekenen komt men op de proppen om te bewijzen dat Jezus werkelijk de zoon van God is, maar

" ... wanneer we nauwkeurig kijken naar de dag van de kruisiging en we baseren ons op de westerse kalender, dan was het op de 16e van de derde maand100 Wanneer we rekenen volgens de Chinese kalender dan is dit tijdens de Han keizer 光武 Guāngwǔ, het achtste jaar van 建武 Jiànwǔ, het 壬辰 rénchén jaar, derde maand, 22e dag.

Welnu, dat de Hemel zo vriendelijk was om met voorbijgaan aan de normale gang van zaken een verduistering te produceren hoewel het niet de eerste van de maand was, wordt als bewijs van Jezus' goddelijkheid gezien. Waarom was er een verduistering op de 16e maar niet op de 22e? Schall weet zelf ook wel dat de maan in zijn laatste wartier niet in staat is om het licht van de zon geheel te bedekken.

Dus liet hij op de ochtend van de 16e van de maanmaand de volle maan snel 182½°101 draaien om een zonsverduistering te veroorzaken en de aarde beneden in een grote duisternis te hullen. Iemand, die als Schall doorkneed is in de wetmatigheden van de kalender, weet, dat men een dergelijke verduistering binnen het Keizerlijke Kalenderbureau helemaal niet kan bespreken en niet mag bespreken.

Maar omdat Schall de euvele moed heeft zulke onzin te verkondigen, zal ik op mijn beurt deze onzin even geloven: zonsverduisteringen staan altijd in de Annalen opgetekend. Maar wanneer men de derde en vierde maand van het achtste jaar van 光武 Guāngwǔ doorzoekt, dan blijkt dat er geen documentatie is van zonsverduisteringen of aardbevingen, om nog maar te zwijgen van een zonsverduistering bij volle maan.

De mensen van deze ketterse leer spreiden leugens ten toon om het domme volk te misleiden, maar geleerde met een scherpe blik die beschikken over geschiedenisboeken die men kan raadplegen om hun fouten aan het licht te brengen kunnen zij niet tegenhouden.”

Weerlegging van de kritiek

De antichristelijke pamfletten van 楊光先 Yáng Guāngxiān werden in 1664 gebundeld in het werk 不得已 Bùdéyǐ (Ik kan het niet Nalaten.) In deze tijd ging het bijzonder slecht met de missie: de Jezuïeten waren, mede dankzij de inspanningen van 楊光先 Yáng Guāngxiān verwikkeld in lange processen. Prediking was verboden en sommige paters werden met de doodstraf bedreigd of verbannen.

Als reactie op 楊光先 Yáng Guāngxiān's 不得已 Bùdéyǐ schreef Lodovico Buglio (利類思 Lì Lèisī, 1606-1682) het traktaat 不得已辯 Bùdéyǐ Biàn (Verweer op 'Ik Kan het Niet Nalaten',) waarin 楊光先 Yáng Guāngxiān's argumenten onder de loep worden genomen en vervolgens afgezwakt of weerlegd: zo ook 楊光先 Yáng Guāngxiān's argumentatie ten aanzien van de eclips. Buglio beschrijft het wonder eerst in ongeveer dezelfde bewoordingen als Aleni en geeft vervolgens een vrij citaat van het commentaar van 楊光先 Yáng Guāngxiān:

"光先 Guāngxiān zegt: 'naar verluidt was de kruisiging van Christus in feite in het 壬辰 rénchén-jaar in de derde maand op de 22e dag', verder zegt hij: 'Hemel, aarde, mensen produceerden allemaal bewijzen dat hij de Heer des Hemels was. De hemel produceerde vervolgens een volledige zonsverduistering op de helft van de maanmaand en de wereld beneden werd in duisternis gehuld. De aarde schudde in de tienduizend rijken.

Welnu, de hemel heeft geen twee zonnen, en als er op de vijftiende een volledige zonsverduistering plaatsvindt en wanneer de gehele aarde in duisternis is gehuld, dan kan er geen land zijn waar geen duisternis heerst. Zonsverduisteringen worden steevast in onze Annalen opgetekend en zonsverduisteringen bij volle maan zeker. Wanneer we echter de geschiedenis van de Han bekijken, dan blijkt dat het verschijnsel zonsverduistering op de 15e dag van de derde maand van het achtste jaar van Guangwu niet voorkomt."

Hierop zet Buglio zijn verdediging in:

"De Astronomen argumenteren dat er bij eclipsen in alle landen en op alle plaatsen verschillen zijn. Soms is er hier een zonsverduistering en daar niet, soms is daar een eclips en hier niet. Dit is het constante [principe] van de regels van de kalender. Ik voeg daaraan toe, dat het overal op een verschillend tijdstip middag of middernacht is, en dat eclipsen bijgevolg net zo verschillen. Er zijn de verschillen van oost en west.

Ook is er de parallactische verschuiving van zuid naar noord. Wanneer er hier veel eclipsen zijn, dan zijn er daar weinig. Wanneer het hier vroeg is, dan is het daar laat. Wat hier wel is, dat is daar niet. De respectievelijke plaatsen hebben stuk voor stuk hun verschillen. Hoe kan er voor de hele wereld een regel zijn?

En wanneer de kalendermakers zonsverduisteringen berekenen, dan gaat het steevast om zonsverduisteringen die voorkomen op de eerste dag van de maand, en nooit om een verduistering bij volle maan. Het lijden van Jezus was in het achtste jaar van 建武 Jiànwǔ , derde maand, 15e dag102 Dit is een teken in de categorie "de Hemel geeft door iets afwijkends een waarschuwing" en "de tekenen gaan in tegen de normale gang van zaken."

Het is niet zo dat de kalendermakers ervan op de hoogte geweest hebben kunnen zijn. Maar dat de Historiën van China haar niet optekenden heeft een oorzaak die 光先 Guāngxiān niet kent. Immers, de aardbol bevindt zich midden in de hemel en alle mensen lopen, al naar gelang ze wonen, op de aarde en boven zich hebben zij dezelfde hemel. Bij de omwentelingen en bewegingen van zon, maan en sterren is het zo dat de hemel beweegt en de aarde niet beweegt. Daarom is er verschil in ochtend en avond, in laat en vroeg. Jezus lijden viel het achtste jaar van de 漢 Hàn regeringstitel 建武 Jiànwǔ op de 15e dag van de derde maand.

Wanneer we argumenteren aan de hand van de aardbol dan is de afstand tussen Judea en China zo groot dat de tijd vanzelf verschilt. De middag daar verschilt meer dan 20 kwartier van die van hier. Voorts is de parallactische verschuiving vier kwartier. Opgeteld levert dat het dubbeluur you103 op. Bovendien was het op de tijd van de lente-equinox en was de zon al achter de horizon verdwenen.

Omdat het hier om een wonder gaat had niemand aanleiding om niet op te kijken. Hoe zouden de historiografen het dan opgetekend hebben? De westerse historiën vermelden een grote wijze; hij was goed op de hoogte van de astronomie. Zijn naam was Dionysos en hij leefde in die tijd in Athene. Toen hij opkeek en zag dat de kleur van de zon donker werd, riep hij verschrikt: 'Dit betekent wellicht dat de Schepper der dingen in moeilijkheden is! Of dat hemel en aarde op het punt staan te eindigen!'

Na enkele jaren bereikten de apostelen zijn woonplaats om het geloof te verkondigen. Dionysos wist de oorzaak ervan nu precies. Vervolgens bekeerde hij zich tot het geloof en ging boeken schrijven en maakte zo de diepste principes van de Heer des Hemels duidelijk."

Buglio ziet de eclips wel als wonder, maar vindt het logisch dat Yang haar niet in de Annalen vond. Op de tijd van de kruisiging was de zon gewoon niet zichtbaar in China. [Verbiest zelf schreef ook een 不得已辯 Bùdéyǐ Biàn waarin hij uitgebreid ingaat op zonsverduisteringen.] Er werd in deze context verder weinig aandacht besteed aan dit probleem. [getuige bijvoorbeeld 天主教要緒論Tiānzhǔ jiàoyào xùlùn uit 1671 van Ferdinant Verbiest (Nan Huairen 南懷仁 1591-1682), die bij de behandeling van de kruisiging slechts zegt dat het "overdag donker werd als de nacht”104.] [De passie-eclips en de "duisternis" die werd opgetekend in de Evangeliën en overgenomen door Phlegon werd op dit moment nog niet in verband gebracht met eclipsen die in de Chinese Annalen waren opgetekend.] Het zou echter niet lang duren voordat westerse geleerden en Jezuïeten zich gingen buigen over een nieuwe fase in het probleem van de passie-eclips.

Chapter 5: new evidence for the "passion eclipse"?

In Europa was inmiddels een bijzondere belangstelling ontwaakt voor China die werd aangewakkerd door de publicaties van de Jezuïeten en de intensieve correspondentie die ze voerden met de achterblijvers. Men werd vooral gefascineerd door de taal en de chronologieën der Chinezen. Het onderzoek naar de "universele taal" kreeg nieuw voedsel; de verschillende versies van het Oude Testament, dat tot dan toe als enige geldige wereldgeschiedenis werd beschouwd, konden worden getoetst aan de Chinese Annalen.

Men was vooral onder de indruk van geschiedwerken als de 資治通鑒 Zīzhì tōngjiàn ( Universele Spiegel tot Hulp bij de Regering) van 司馬光 (Sīmǎ Guāng, 1018-1086) en de orthodox- Confucianistische bewerking daarop van 朱熹 Zhū Xī, 1130-1200), de 通鑑綱目 Tōngjiàn gāngmù (Hoofdlijnen en Details van de Universele Spiegel.) Deze werken geven een doorlopende geschiedenis voor de periode van de Strijdende Staten tot de stichting van de 宋 Sòng-dynastie (403 v.C.-959 AD) in tegenstelling tot de verschillende dynastieke geschiedenissen als HS en HHS die het historisch materiaal in stukken snijden en over verschillende afdelingen verdelen.

De publicatie van een groot aantal chronologieën van China kwam op gang. Hierin trachtte men naast het weergeven van de Chinese geschiedenis, Bijbelse gebeurtenissen te relateren aan gebeurtenissen die in de Chinese historiën werden beschreven. Zaken als de zondvloed, de zonen van Noach en de Babylonische spraakverwarring zorgden voor eindeloze discussies bij Jezuïeten en oriëntalisten in China en Europa.

Men moet echter niet vergeten, dat er een geweldig verschil in kennis was tussen de Jezuïeten in China en de thuisblijvers. Weliswaar was er een uitgebreide correspondentie tussen China en Europa, maar deze verliep traag. Een brief die via karavaanroutes of zeewegen gezonden werd deed er soms vijf jaar over. Voor de achterblijvers was het moeilijk om aan Chinees materiaal te komen en als ze het al hadden was hun kennis nauwelijks toereikend om er iets mee te doen. Verslagen en vertalingen van Jezuïeten die soms een sterk vertekend beeld van China gaven, vormden zo vaak de enige bronnen voor de oriëntalisten in Europa.

China werpt nieuw licht op het probleem van de Passie-eclips

Tegen de in hierboven geschetste achtergronden zullen achtereenvolgens de opmerkingen van een aantal geleerden worden besproken, Jezuïeten van de Chinamissie zowel als oriëntalisten die zich in Europa bevonden, die zich over het probleem van de "Chinese eclips" hebben gebogen:

Gabiani & Grelon

Het waren China missionarissen Giandomenico Gabiani (1623-1694) en Adrien Grelon (1618-1696), Jezuïeten van het Franse huis, die als eersten het vermoeden naar buiten brachten dat de eclips die in de HHS en de 資治通鑒 Zīzhì tōngjiàn onder 光武 Guāngwǔ, 7e jaar, derde maand, dag 癸亥 guǐhài vermeld staat, dezelfde geweest zou unnen zijn als de eclips van de kruisiging105.

Aangezien de datum van de kruisiging nog altijd werd betwist106 , was het eenvoudig om er mee te schuiven totdat een passende eclips in de Chinese Annalen werd gevonden. Zowel Gabiani als Grelon waren betrokken geweest bij de compilatie van het werk Confucius Sinarum Philosophus107 waaraan onder de redactie van Philippe Couplet SJ (1624-1693) een beknopte vertaling van de 資治通鑒 Zīzhì tōngjiàn werd toegevoegd. Het werk was al in 1672 gereed, doch het zou uiteindelijk pas in 1687 in Parijs verschijnen. Gabiani verzocht Adam Adamandus Kochanski SJ (1631-1700), professor wiskunde te Olomout (Olmuety), Moravie, Tsjechoslowakije, om zich eens te verdiepen in de zaak108.


Daar Kochanski geen sinologische kennis bezat verzocht hij de Duitse sinofiel Andreas Müller (1630-1694) om het geval nader te bestuderen. Müller bekleedde hoge functies in de kerk en in zijn vrije tijd hield hij zich bezig met talen en culturen van het oosten. Hij had de beschikking over Chinees materiaal dat naar Berlijn was gezonden door Andreas Cleyer (1634-1697), een arts in dienst van de VOC. Cleyer had vanuit India een editie van de 資治通鑒 Zīzhì tōngjiàn naar Friedrich Wilhelm, de keurvorst van Brandenburg (regeringsperiode 1640-1688) gezonden109, die bijzonder geïnteresseerd was in Chinese studiën110

Het werk kwam terecht in de Koninklijke Bibliotheek van Berlijn, en Müller kopieerde hieruit de passage over de eclips om haar in 1683 samen met een lijst van Chinese koningen111 onder de titel Deutsche Übersetzung und Erklärung des zur Probe seines Sinesischen Schlüssels Fürgelegten textes und Thematis aus den Sinesischen Jahrbüchern publiceren; een jaar later verscheen zijn verhandeling De Eclipsi Passionali Disguisitio (Uiteenzetting over de Passie-eclips112). Müller had al meerdere werken over sinologica op zijn naam staan, maar zijn kennis van de taal was waarschijnlijk niet groot: hij had zich het Chinees zelf eigen trachten te maken zonder enigerlei correspondentie met de Jezuïeten van de Chinamissie113.

In zijn verhandeling over de eclips schreef hij 30 karakters uit de 資治通鑒 Zīzhì tōngjiàn betreffende de eclips over, alsmede een poging tot een vertaling ervan. Hij slaagde er echter niet in om het karakter 晦 huì (laatste dag van de maand) te vertalen net zo min als de cyclische karakters 癸亥 guǐhài . Wel begreep hij dat de keizer met het karakter 聖 shèng naar een titel van zichzelf verwees; het feit dat hij het gebruik ervan verbood, wees op nederigheid, die de keizer zou moeten betrachten bij het zien van het teken dat veroorzaakt werd door de dood van Christus114.

Couplet & Mentzel

Niet iedereen durfde deze stelling zonder meer te onderschrijven. Aan Couplets in 1687 verschenen Confucius Sinarum Philosophus werd de in 1686 gepubliceerde Tabula Chronologica toegevoegd, de ruwe vertaling van de 資治通鑒 Zīzhì tōngjiàn. De passage bij het 7e jaar van keizer 光武 Guāngwǔ luidt als het volgt:

"'In het jaar 28 van de cyclus, in feite het jaar 7 van de regering, op de laatste dag, een vermeldenswaardige totale115 zonsverduistering, bij gelegenheid waarvan men het gebruik van het woord 聖 shèng, d.i. "heilig", verbiedt op de tijd dat de verduistering is voorgekomen.' Zo zeggen de Annalen. Of het die is geweest, welke is gebeurd tijdens de dood van Christus is aan de astronomen ter beoordeling overgelaten".

De arts en sinofiel Christian Mentzel (1622-1701) is evenals Müller werkzaam in Berlijn. Hij publiceert in 1696 zijn Kurzer Chinesische Chronologia oder Zeitregister aller Chinesischer Kaiser, neemt de voorzichtige opmerking van Couplet over en vindt ook dat de "Chronologisten" zich over het geval moeten buigen116.


Het was echter vader Joachim Bouvet SJ (白晋 Bái Jìn, 1656-1730) van de Chinamissie, die rond 1690 een diepgravender onderzoek instelde naar de vraag of de eclips van 10 mei 31 inderdaad de passie-eclips was. Bouvet wordt gerekend tot de "Figuristen", die ervan uitgingen dat wanneer men maar ver genoeg teruggaat in de geschiedenis van welke cultuur dan ook, men het punt zou kunnen vinden, waarop het aftakken van de oorspronkelijke Joods-christelijke traditie zichtbaar wordt. De Figuristen meenden dat de Chinese beschaving een unieke situatie voor de studie van deze afsplitsing van de Joods-Christelijke traditie bood, vanwege haar opvallend nauwkeurige historisch optekeningen, die men soms zelfs hoger leek in te schatten dan die van de Bijbel117. De Figuristen wijdden zich onverdroten aan de studie van Chinese teksten die echter niet zozeer als letterlijke historische teksten werden gezien, doch eerder als symbolische werken die de diepste mysteries van het Christendom bevatten; hun theorieën waren soms zeer vergezocht en meerdere malen aan scherpe kritiek onderhevig118.

Bouvet was grondig in zijn onderzoek. Hij beperkte zich in zijn speurtocht naar de passie-eclips niet tot de hoofdtekst in de 資治通鑒 Zīzhì tōngjiàn, doch raadpleegde de 本記 běnjì (Annalen) en de 五行志 Wǔ xíng zhì (Verhandeling der Vijf Fasen) van de HHS. Zijn inventieve geest leidde hem tot de conclusie dat de eclips van 10 mei 31 AD inderdaad dezelfde was als de passie-eclips. Hij redeneerde als volgt:

"In de Chinese Annalen moet met twee eclipsen onderscheiden. De eerste eclips is natuurlijk en deze is vastgesteld op de laatste dag van de maand. De tweede is bovennatuurlijk en hierover spreekt het Tweede Keizerlijke Edict met de woorden 薄蚀 báo shí, hierover spreekt de 潜潭巴 Qían tán bā en hierover spreekt het Eerste Keizerlijke Edict alsmede de Memorie van 鄭興 Zhèng Xīng. De bovennatuurlijke eclips was aanvankelijk weliswaar opgetekend in de regeisters, maar toen de Reviseurs (sic) van de Geschiedenis de eclips vonden die was vastgesteld op de 15e of de 16e van de maand, namen ze deze weg en stelden die van de 10e me ervoor in de plaats. Ondanks deze verandering ziet men duidelijk sporen van de passie-eclips: (1) in de stappen van de keizer, (2) in de woorden van de 潜潭巴 Qían tán bā, (3) in de memorie van 鄭興 Zhèng Xīng en (4) in het Tweede Keizerlijke Edict dat spreekt van 薄蚀 báo shí. Welnu, 薄蚀 báo shí wil zeggen 'eclips van zon of maan die ver van 交 jiāo voorviel,' dat wil zeggen wanneer de of de niet in de grenzen van de ecliptica is119."


Toen de duitse orientalist T.S. Bayer (1694-1738) zijn De Eclipsi Sinica schreef was hij waarschijnlijk niet op de hoogte van de stellingen van Vader Bouvet. De Eclipsi Sinica werd in 1718 in Koningsberg gepubliceerd. Bayer kende wel het werkje van Müller en had via diens aanwijzingen ("Volume 42, fol. 12") de juiste pasage in de 資治通鑒 Zīzhì tōngjiàn weten te vinden120. Hij schrijft de karakters over en laat ze afdrukken in De Eclipsi Sinica.

De vertaling brengt hij er niet beter af dan Müller: hij begrijpt de 晦 huì "laatste dag van de maand" betekent. Anders dan Müller meent hij echter dat de keizer met 聖 shèng naar de ambtenaren verwijst121: het waren de ambtenaren die niet zo genoemd moeten worden. Immers:

shèng betekent 'uitstekend,' 'goed,' 'geleerd,' etc. Het wordt gebruikt voor keizers, koningen helden, hoogwaardigheidsbekleders en voor wijzen uit de oudheid. Confucius was een 聖 shèng en natuurlijk werd Ricci zelf een 聖 shèng genoemd! Dus Müllers interpretatie die wijst op nederigheid van de keizer bij het aanschouwen van het teken is niet terecht122.

In het vertoog van 42 bladzijden in De Eclipsi Sinica wordt min of meer aangegeven dat de eclips van 10 mei niet die van de passie kan zijn geweest. Knud Lundbæk, Bayers biograaf, typeert het werkje als volgt: "de tekst van De Eclipsi Sinica is een los aan elkaar geweven structuur van gedachten en vondsten en een hoop studie. Het werkt naar een bepaald doel toe, maar verliest zich in uitwijdingen en uitwijdingen over uitwijdingen."

De conclusies komen eigenlijk op het volgende neer: (1) de eclips die in de 資治通鑒 Zīzhì tōngjiàn wordt beschreven is er één temidden van velen, ze is als elke andere eclips beschreven en er is niets mis mee; (2) de 'drie uren duisternis' over Golgotha kunnen niet veroorzaakt zijn door een eclips omdat een eclips niet overal op aarde zichtbaar is en omdat eclipsen geen drie uur duren; (3) de kruisiging vond plaats bij of rond volle maan. Eclipsen vinden niet plaats bij volle maan123.

Omdat Bayer van huis uit geen astronoom was verzocht hij echter zijn vriend, de Berlijnse sterrenkundige Christfried Kirch (1694-1740) om aan alle twijfels een eind te maken.


Kirch "achtte zijn bevindingen de publiciteit niet onwaardig124"en ze verschenen dan ook in 1723 in Miscellanea Berolinensia van de Berlijnse Academie van Wetenschappen. Hij staat achter Bayer, maar voor de definitieve weerlegging van de stelling dat de eclips van 10 mei 31 de passie-eclips is, meent hij, dat

" ... deze hele strijd op de kortste manier bijgelegd zou kunnen worden, als onderzocht wordt of de zonne-eclips op de door de Chinezen genoteerde tijd gebeurd had moeten zijn volgens de astronomische lijsten der hemellichamen of niet, opdat blijkt, of zij volgens de ordening der natuur heeft plaatsgevonden of niet125."

Kirch stelt eerst vast dat het 7e jaar van 光武 Guāngwǔ, 3e maand, dag 癸亥 guǐhài inderdaad 10 mei 31 is en via de Rudolfijnse Tabellen van Kepler weet hij haar tot op de minuut te berekenen. Wanneer hij tenslotte de projectiemethode van de astronoom en mathematicus Philippe de la Hire (1606-1656) op deze gegevens loslaat is hij ook in staat de juiste locatie van de totaliteitszone te bepalen en komt hij tot de conclusie dat

" ... in Peking, de keizerlijke zetel van onze tijd126. het begin van dezee eclips plaatsvond op 10 mei, 7 u. 48 min. in de ochtend; de maximale verduistering () vond plaats om 8 u. 55 min. en was ten einde om 10 u. 19 min. De maan verduisterde het zuidelijke deel van de schijf van de zon, zodat deze eclips zich aan de zuidelijkere landstreken groter vertoond moet hebben. Derhalve heb ik berekend in welke mate ze in Canton, de gevierde koopmansstad aan de zuidelijkere kust van China, te voorschijn kwam. Het begin is hier geweest op 10 mei 6 u. 51 min. De grootste verduistering was om 7 u. 59 min. en het einde was om 9 u. 26 min in de ochtend127."

Kirch stipt ook de verduistering an 9 november 30 AD aan en aan het eind van zijn artikel gaat hij nog in op de eclips die beschreven werd doo Phlegon:

" ... een weinig zal ik me bovendien indlate met de Phlegontische eclips die sommigen opvoeren in het jaar 2 van de 202e Olympiade, anderen in het jaar 4. Het tweede jaar neemt zijn begin in het Christelijke jaar 30 na het zomersolstitiumd128 en heeft geduurd tot het zomersolstitium van het volgende jaar. In dit tijdsinterval hebben de twee zonsverduisteringen plaatsgevonden waarover ik hierboven gesproken heb en die men in China heeft waargenomen. Deze eclipsen konden geen van beiden in heel Europa, noch in de westelijkere streken van Azië worden waargenomen omdat er op die plaatsen, op de tijd van de eclips, de zon achter de horizon is geweest. Het vierde jaar van de 202e Olympiade is begonnen in [het jaar] 32 AD na het zomersolstitium terwijl hij duurde tot het solstitium van het volgende jaar. In het jaar 32 in de maanden september en oktober zijn twee kleine eclipsen voorgekomen en in 33 werd er op 19 of 20 maart weliswaar een opmerkelijke eclips waargenomen maar deze von plaats op het zuidelijk halfrond. En zo vond er in het tweede en vierde jaar van de 202e Olympiade geen enkele zonsverduistering plaats die door Phlegon opgemerkt kan zijn129."

En zo werd in 1723 in Europa het astronomische bewijs geleverd voor het feit dat de eclips van 10 mei 31 natuurlijk was. Het zou echter tot 1732 duren voordat er een diepgaande studie over de sinologische kant van de zaak zou verschijnen.


De fransman Antoine Gaubil SJ (1689-1759), die zou uitgroeien tot een der grootste sinologen van de 18e eeuw, begon zich rond 1724 voor de eclips te interesserend130. Hij was op de hoogte van de uitspraken van Bouvet en zijn volgelingen en had zich voorgenomen alles tot op de bodem uit te zoeken. Was hij echter in 1724 "nog niet ter zake kundig, noch op het gebied van de geschiedenis, noch op het gebied van de taal, noch op het gebied van de astronomie131, in 1726 na enkele jaren in China, had hij "de oplossing voor alles gevonden."

Met Bayer voerde hij correspondentie en bevestigde in een brief van 3 juli 1732 de bevindingen van Kirch, waarover Bayer hem had geschreven: "Wij hebben geen aanwijzingen gevonden van een indicatie voor de passie-eclips in de Chinese historiën132." 1732 was ook het jaar, waarin te Parijs zijn publicatie Dissertation sur l'Eclipse de Soleil, Observee a la China l'An Trente Unieme de Jesus Christ" verscheen133.

Het artikel is ingedeeld in twee stukken; een gedeelte, waarin de Chinese tekst met betrekking tot de verduistering onder de loep wordt genomen en een deel dat de argumenten van voorstanders van de "Chinese eclips" ondergraaft. In het eerste deel wordt de Chinese passage in de 'Astronomie Chinoise', nader bekeken, vervolgens besteedt Gaubil aandacht aan de tekst in de 'Histoire Chinoise.' De passage in de 'Astronomie Chinoise' is die welke in de HHS onder de Verhandeling der Vijf Fasen vermeld staat. Hij bevestigt, dat de datum van 建武 Jiànwǔ 7e jaar, 3e maand, dag 癸亥 guǐhài overeenkomt met 10 mei 31 door vanaf 2 mei 1726 (ook een 癸亥 guǐhài dag) terug te rekenen; hij stelt onder meer dat 晦 huì weliswaar "laatste dag van de maand" betekent, maar dat de verduistering eigenlijk op de eerste dag van de vierde maand viel. Dat men het toch over 晦 huì heeft is te wijten aan gebrek aan juiste rekentechnieken bij de Chinezen. De passage uit de 潜潭巴 Qían tán bā had speciale aandacht:

" ... na de tekst die ik net heb uitgelegd, haalt de Astronomie in een aantekening deze woorden van de 潜潭巴 Qían tán bā aan: 'op de dag 癸亥 guǐhài was er een eclips van de zon, de hemelse mens valt (sterft)' [Het karakter 崩 bēng drukt de dood van Prinsen en Koningen uit]'

Voor het begrip van deze aantekening moet men weten wat de 潜潭巴 Qían tán bā is en wat de chen van de "Tribunal de la Mathematique' is. Ten tijde van de Han was er, evenals vandaag, een kamer, die zorg droeg voor de chen [sic, hij doelt waarschijnlijk op 占zie 54, waar chan gelijk is aan het pinyin zhān. In een voetnoot: "Chen, divinatio, augurium"]. Chen bestond uit het onderzoeken van de betrekking van de plaats van een ster tot andere plaatsen in de hemel; uit het onderzoeken van het goede en het slechte dat was verbonden aan de plaatsen der constellaties, aan de dagen en aan de jaren van de cyclus, aan de maanden en aan de seizoenen.

Na dit onderzoek bepaalde men wat het keizerrijk, het koninklijk huis, de keizer etc. kon verwachten, hopen of vrezen van een hemels verschijnsel als een zonsverduistering. Dit alles was gefundeerd op een relatie die men veronderstelde tussen de hemelse verschijnselen en de daden der mensen, en het is vroeger meer nog dan nu een bron van een onuitputtelijk bijgeloof geweest ( ). Ten tijde van de Oostelijke Han bediende men zich zeer vaak van de chen van de 潜潭巴 Qían tán bā. Het is een soort commentaar op de 春秋 Chūn Qīu.

In dit commentaar onderzoekt men de karakters van de dagen der zonsverduisteringen, gerapporteerd in de 春秋 Chūn Qīu, men past er de chen op toe en men poogt daarlangs het verband van die eclipsen met allerlei gebeurtenissen in verband te brengen. Zo zijn er bijvoorbeeld in de jaren 668 en 626 v.C. zonsverduisteringen op een dag, waarvan de twee karakters 癸亥 guǐhài zijn. 潜潭巴 Qían tán bā past op die verduisteringen zijn chen toe en in het commentaar merkt men op, dat de 'eclips van de dag 癸亥 guǐhài de dood van een hemels Mens aanduidt'.

De Oostelijke Han haalt bij de verduistering van het jaar 31 de chen van de 潜潭巴 Qían tán bā voor de eclipsen van 668 en 626 v.C. aan De 13 eclips van de 春秋 Chūn Qīu is op de dag 甲子 jiǎzǐ. 潜潭巴 Qían tán bā zegt, dat de dag 甲子 jiǎzǐ betekende, dat de onderdanen in opstand zullen komen. De Oostelijke Han haalt de chen van de 潜潭巴 Qían tán bā aan bij een eclips die opgetekend is op een dag 甲子 jiǎzǐ. Men zal andere voorbeelden zien in de geschiedenis der eclipsen van de Oostelijke Han134.

Vervolgens behandelt Gaubil de "Histoire Chinoise", waarin de twee decreten van 光武 Guāngwǔ op 15 en 29 mei 31 worden vermeld, alsmede de memorie van 鄭興 Zhèng Xīng. Deze laatste tekst wordt echter zo beknopt weergegeven, dat het aannemelijk is dat Gaubil hier niet de HHS zelf, doch alleen de 資治通鑒 Zīzhì tōngjiàn heeft geraadpleegd. Opmerkelijk is echter, dat hij hiernaast de Mansjoe-versie van de Chinese Annalen raadpleegde, waarin het 7e jaar van 光武 Guāngwǔ staat aangegeven met de woorden "jaar van de witachtige haas" en de dag van de eclips met "dag van het zwartachtige varken135. shèng beschouwt Gaubil als een titel van de keizer en besteedt er geen bijzondere aandacht aan.

In het tweede deel van het artikel bekritiseert Gaubil diegenen, die meenden dat het hier de passie-eclips betrof:

" ... meerdere missionarissen die dit feit naar voren hebben gebracht, zijn niet in staat geweest alle omstandigheden, die in de Geschiedenis en in de Astronomie vermeld werden, te onderzoeken. Ze hadden niet de noodzakelijke kennis van de Chinese en Europese astronomie, en ze hebben slechts een feit van een dergelijk belang naar voren gebracht, omdat ze in het algemeen wisten, dat Onze Heer volgens meerdere auteurs in het jaar 31 van de Christelijke tijdrekening was gestorven.

Ze hebben er niet op gelet dat dit betekent, dat Onze Heer dan gestorven zou moeten zijn op een van de dagen gui van het jaar 31. Ze hebben geen aandacht geschonken aan het feit, dat de tekst spreekt over de eerste dag van de vierde maand. Ze hebben geen aandacht geschonken aan de plaats van de zon, zoals die in de Astronomie staat opgetekend, en aan het feit dat hij onmogelijk kon gebeuren op de dag van de passie. [Het Pasen waarop Onze Heer werd gekruisigd, viel tegen de 1e april en een eclips van de 10e mei kan dus nooit die van de passie geweest zijn] ( ). Men heeft geen aandacht besteed aan het feit,d at de woorden van Qian tan ba 600 jaar voor Christus gebezigd werden.

Hierna breekt hij de argumenten van Bouvet af:

"Het onderscheid dat Bouvet maakt tussen de twee eclipsen (zie p. 31) heeft geen enkele basis. De edicten van de keizer en de memorie van 鄭興 Zhèng Xīng zijn het gevolg van de natuurlijke eclips op de dag gui, de laatste van de derde maand.

De bovennatuurlijke eclips die uit de registers is geschrapt is niets dan een vermoeden en een veronderstelling van vader Bouvet. In deze zaak heeft men feiten nodig, en welbewezen feiten ( ). Het is zeker, dat de wiskundigen dikwijls een middel vonden om de Registers te ontdoen van foute berekeningen en er juiste voor in de plaats te stellen, maar de geschiedenis der eclipsen die voor ons in het bijzonder vele van deze intriges bij gelegenheden van verduisteringen gezien onder Guang Wudi heeft bewaard, zegt niets dat de veronderstelling van vader Bouvet ten aanzien van de eclips van 10 mei 31 huldigt ( ).

Men ziet dat 京房 Jīng Fáng 薄蚀 báo shí definieert als "een eclips, die noch op de eerste, noch op de laatste dag is"; anderen hebben het zo uitegelegd: "een eclips die buiten 交 jiāo is, dat wil zeggen buiten de ecliptische grenzen. Hierop is het nodig op te merken, dat deze definitie van 薄蚀 báo shí zonder twijfel op natuurlijke eclipsen slaat, die echter niet in overeenstemming waren met de berekening ervan. In plaats van te zeggen: 'de berekening is fout' hebben ze gezegd dat de eclips tegen de regels was ( ). Deze eclips was natuurlijk, dus het tweede edict van de keizer spreekt van een natuurlijk eclips136.“

Denkt men nu dat Gaubil alle twijfel heeft weggenomen dan vergist men zich. De jezuïet L.B. Castel (1688-1757) bespreekt in het februarinummer van 1733 in de Memoires de Travaux, het Jezuïetentijdschrift, de Observations van Societ, waarin bovenstaand artikel van Gaubil werd ondergebracht. Artikel XV van Castel is genaamd "Reflexions sur l'Eclipse de l'An 31 de Jesus Christ." Hij geeft een samenvatting van de argumenten van Bouvet en van Gaubil, en prijst de grote wijsheid van de laatste. Hij merkt echter op, dat men de argumenten van Bouvet, die, naar hij suggereert, de algemene zienswijze onder de Jezuïeten vertegenwoordigen, toch niet zomaar opzij kan zetten137. Gaubil loopt wat al te gemakkelijk heen over Bouvets opmerking dat er twee eclipsen waren, waarvan er een later uit de registers was geschrapt. Hij merkt op dat

" ... de gelijkenissen (met de passie-eclips) treffend genoeg zijn, en er geen enkele overmoed is bij degenen die dachten dat het die van de kruisiging is138.

Hij verzandt echter slechts in een herhalen van de argumenten van Bouvet. Toen Gaubil, toen in China, de tekst van Castel onder ogen kreeg, schreef hij een wat vermoeide brief naar Souciet, waarin hij wederom alles op een rij zet en ironisch opmerkt dat

" ... het aan vader Castel is om een dergelijke eclips te vinden, een werk dat niet afgeschrikt mag worden, daar het voorziet in een argument voor onze Heilige Religie139."

Tenslotte merkt Gaubil op, dat

"Er op 21 mei 30 een zonsverduistering is geweest; er wordt bij vermeld, dat de zonden van de mens het gezicht van de zon verduisterden; en zij die beweren, dat Onze Heer in het jaar 30 gestoven is zouden gezien deze omstandigheden ook wel bewijzen voor hun mening kunnen vinden in de zonsverduistering van 14 november van hetzelfde jaar 30140."

Einde van de discussie

Vanaf dit punt lijkt de discussie dood te bloeden. J.P. Du Halde SJ (1674-1743) herhaalt in zijn Description de l'Empire de la Chine die in 1735 te ‘s-Gravenhage verscheen, slechts de opmerking van Couplet dat "het aan de Astronomen is om te onderzoeken of deze eclips dezelfde is als die welke gebeurde tijdens de dood van Christus141." Dit is merkwaardig daar Du Halde een briefwisseling onderhield met Gaubil en het toch wel aannemelijk is dat hij van de hele discussie op de hoogte was. J.A.M. de Moyrac de Mailla SJ (1669-1748) die in zijn Description Generale de la Chine (Parijs 1777-1783) een historisch verslag geeft dat is gebaseerd op 朱熹 Zhū Xī's 通鑑綱目 Tōngjiàn gāngmù rept bij de behandeling van 光武 Guāngwǔ met geen woord over de zonsverduistering. De discussie is weggesloten in de stoffige kasten der vergetelheid.


De eclips van 10 mei 31 sprak tot de verbeelding van hen die naarstig zochten naar een bewijs voor de duisternis van Golgotha zoals die werd beschreven door Lucas. Hij vond plaats in een mogelijke kruisigingjaar; de beschrijving ervan en de -volkomen normale- reacties erop zoals beschreven in de 本記 Běnjì (Annalen), de 五行志 Wǔxíng zhì (Verhandeling der Vijf Fasen) en de biografie van 鄭興 Zhèng Xīng in de HHS bevatten passages, die het de mensen die naar sporen van de passie-eclips zochten, wel erg gemakkelijk maakten. In een tijd waarin men op zoek was naar een universele wereldgeschiedenis waren dit soort "bewijzen" van de Bijbel uiterst welkom.

Het is echter opvalled, dat de eerste die in de Chinese Annalen op zoek ging naar bewijzen voor de passie-eclips een Chinees, 楊光先 Yáng Guāngxiān, was. Buglio maakte in zijn weerlegging van 楊光先 Yáng Guāngxiān gebruik van natuurkundige principes, die veel aannemelijker zijn dan het kunstmatige schuiven met de kruisigingdatum, zoals later gedaan werd door mensen die minder onderlegd waren in astronomie. Dat het niet Buglio was, die als eerste ging "schuiven" komt wellicht ook, omdat hij dit onverstandig achtte: de kruisigingsdatum lag voor 楊光先 Yáng Guāngxiān vast; verandering hieran zou hem weer een argument gegeven hebben voor de "Leugenachtigheid van de Christelijke leer."

In Europa, waar de datering van de kruisiging al eeuwen aan discussie onderhevig was, gold dit argument niet; de vondst in de Chinese Annalen speelt degenen die het jaar 31 als kruisigingjaar beschouwden in de kaart, en men bleef hardnekkig vasthouden aan de "bewijzen." Het kostte een eminent geleerde als Gaubil dan ook veel moeite om alle stemmen het zwijgen op te leggen.

Toen ze eenmaal zwegen, was men ze snel vergeten; met deze scriptie hoop ik de herinnering aan deze merkwaardige discussie weer nieuw leven in te hebben geblazen.

Postscript: modern traces of the discussion

In spite of all the evidence presented over the centuries, long-countered arguments appear hard to die. A Christian website still maintains that Phlegon's eclips did take place in 33 AD.


1 Gibbon, p. 380-381 "Under the Reign of Tiberius, the whole earth or at least a celebrated part of the Roman Empire was involved in a praeternatural darkness of three hours. Even this event ( ... ) passed without notice in an age of science and history" en merkt in een voetnoot op dat

"The celebrated passage of Phlegon is now wisely abandoned." When Tertullian assures the Pagans that the mention of the prodigy is found in Arcanis (not Archivis) vestris, ( see his Apology, c. 21,) he probably appeals to the Sibylline verses, which relate it exactly in the words of the Gospel. * Note: According to some learned theologians a misunderstanding of the text in the Gospel has given rise to this mistake, which has employed and wearied so many laborious commentators, though Origen had already taken the pains to preinform them. The expression does not mean, they assert, an eclipse, but any kind of obscurity occasioned in the atmosphere, whether by clouds or any other cause. As this obscuration of the sun rarely took place in Palestine, where in the middle of April the sky was usually clear, it assumed, in the eyes of the Jews and Christians, an importance conformable to the received notion, that the sun concealed at midday was a sinister presage. See Amos viii. 9, 10. The word is often taken in this sense by contemporary writers; the Apocalypse says the sun was concealed, when speaking of an obscuration caused by smoke and dust. (Revel. ix. 2.) Moreover, the Hebrew word ophal, which in the LXX. answers to the Greek, signifies any darkness; and the Evangelists, who have modelled the sense of their expressions by those of the LXX., must have taken it in the same latitude. This darkening of the sky usually precedes earthquakes. (Matt. xxvii. 51.) The Heathen authors furnish us a number of examples, of which a miraculous explanation was given at the time. See Ovid. ii. v. 33, l. xv. v. 785. Pliny, Hist. Nat. l. ii. c 30. Wetstein has collected all these examples in his edition of the New Testament. We need not, then, be astonished at the silence of the Pagan authors concerning a phenomenon which did not extend beyond Jerusalem, and which might have nothing contrary to the laws of nature; although the Christians and the Jews may have regarded it as a sinister presage. See Michaelia Notes on New Testament, v. i. p. 290. Paulus, Commentary on New Testament, iii. p. 760.—G.]"

2 Lach, D.F. "The Chinese Studies of Andreas Müller” in JAOS 60, (1940) p. 572 noot 28, where he says that "it is not clear to what eclipse he [Müller] refers, but obviously it must be one which occured during the Later Han in the period of Kuang Wu Ti (25 - 28 AD).

3 Bodifée, Gerard T. e.a., Algemene Sterrenkunde (Groningen, 1978), p. 45.

4 Idem, p. 48-49. Zons- en maansverduisteringen verlopen volgens een vast patroon en de periode waarin ze plaatsvinden zijn, indien men alle bewegingen van zon, maan en aarde meeberekent,

5 Idem, p. 49.

noot Oppolzer, Th. Ritter von, Canon of Eclipses. (New York, 1962.)

6 Finegan, p. 103.

7 Greijdanus, S., Het Heilige Evangelie naar de Beschrijving van Lucas II, Hoofdstukken 12-24 (Amsterdam, 1941,) p. 1149.

8 Zij het in iets andere bewoordingen. Mattheus zegt: Ἀπὸ δὲ ἕκτης ὥρας σκότος ἐγένετο ἐπὶ πᾶσαν τὴν γῆν ἕως ὥρας ἐνάτης "En van de zesde ure aan werd er duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe;" Marcus zegt Καὶ γενομένης ὥρας ἕκτης σκότος ἐγένετο ἐφ' ὅλην τὴν γῆν ἕως ὥρας ἐνάτης. "En als de zesde ure gekomen was, werd er duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe."

9 Nielsen, J.T., Het Evangelie naar Lucas, II (Nijkerk, 1938), p. 234.

10 Fotheringham, J.T., "The Evidence of Astronomy and Technical Chronology for the Date of the Crucifixion" in JTS Vol XXXV, 1934, p. 160.

11 Greijdanus, p. 1149.

12 ט וְהָיָה בַּיּוֹם הַהוּא, נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִה, וְהֵבֵאתִי הַשֶּׁמֶש ׁ, בַּצָּהֳרָיִם; וְהַחֲשַׁכְתִּי לָאָרֶץ, בְּיוֹם אוֹר. וְהַחֲשַׁכְתִּי לָאָרֶץ, בְּיוֹם אוֹר. "En het zal te dien dage geschieden, spreekt de heere, dat ik de zon op de middag zal doen ondergaan en het land bij lichten dag zal verduisteren."

13 י לְפָנָיו רָגְזָה אֶרֶץ, רָעֲשׁוּ שָׁמָיִם; שֶׁמֶשׁ וְיָרֵחַ קָדָרוּ, וְכוֹכָבִים אָסְפוּ נָגְהָם. "De aarde is beroerd voor deszelfs aangezicht, de hemel beeft; de zon en maan worden zwart, en de sterren trekken haar glans in."

14 Lundbæk, K., T.S. Bayer, Pioneer Sinologist, (Londen/Malmö, 1979), p. 31.

15 Fotheringham (1934), p. 160-161.

16 Dat op zijn beurt weer bewaard is gebleven bij Synkellos, zie Ginzel, Kanon der Finsternesse, (Berlijn, 1899), p. 198.

17 Julius Africanus bij Synkellos, zie Ginzel, p. 198.

18 Zie Fotheringham, "A Solution of Ancient Eclipses of the Sun", in MMRAS 81 (1921), p. 112.

19 De Tabulae Rudolphinae of Rudolfijnse Tabellen (Ulm, 1627) bevatten, naast verhandelingen over kalendersystemen, tabellen met positiebepaling van hemellichamen; de berekeningen zijn gemaakt door Kepler en steunen op waarnemingen van Tyho Brahe (1546-1601). Het werk werd opgedragen aan Rudolf II van Duitsland die zowel Kepler als Tycho Brahe financieel ondersteunde. Het zou meer dan een eeuw een onontbeerlijk hulpmiddel bij astronomische efemeridenberekeningen, zowel van planeten als van vaste sterren, blijven.

20 Kepler, p. 43.

21 Op 10 mei en 3 november 31 AD (zie Oppolzer, Th. v., Canon of Eclipses, (New York, 1962) p. 120.

22 Ginzel, p. 199.

23 Ginzel, (1899), later bevestigd door Fotheringham (1921), p. 112 en Oppolzer (1962), p. 120.

24 De 後漢書 Hòu hàn shū (HHS) bestaat uit 10 卷 juǎn (volumes) 本記 Běnjì (letterlijk "Basisannalen") en 80 juǎn 列傳 Lìezhuàn (Biografieën) door 范曄 Fàn Yè (398-446) en door 劉昭 Líu Zhāo (±502-520) gecombineerd met 30 juǎn zhì (Verhandelingen) van de 続漢書 Xù hàn shū van 司馬彪 Sīmǎ Biāo (±240-306).

24a Over de bronnen van de HHS zie ook Morgan, D.P., "Remarks on the Source, Selection, Reliability, and Function of the Non-terrestrial Events Recorded in the Hou Han shu ‘Benji’ Imperial Annals", paper presented at the International Workshop Fan Ye’s History of the Later Han, Collège de France, 13 September 2017

25 De 後漢 記 Hòu hàn jì (HHJ), werd samengesteld door 袁宏 Yuán Hóng (328-376) en bestaat uit 30 juǎn. Het is een geschiedenis van de Latere Han in annalistische stijl. De stijl is een nabootsing van die van de 漢記 Hàn jì van 荀悅 Xún Yùe (198-209) maar het werk volgt niet de volgorde van materiaal in 本記 Běnjì (Annalen) voor de keizers en 列傳 Lìezhuàn (Biografieën) voor onderdanen. De gebruikte bronnen zijn de 东观汉纪 Dōng guān hàn jì, de HHS van Xìe Chéng 謝承 (±200), de 続漢書 Xù hàn shū van 司馬彪 Sīmǎ Biāo, de HHS van 华峤 Huá Qiào (?-293), de HHS van 謝沈 Xìe Shěn en vier anonieme werken: de 漢山陽公記 Hàn shān yáng gōng jì, 漢靈獻起居注 Hàn líng xiàn qǐ jū zhù, 漢名臣奏 Han mingchen zou en 諸郡耆舊先賢傳 Zhū jùn qí jiù xiān xián chuán. Tot op heden is er geen diepgaande studie van de Hou han ji verschenen.

26 v. Oppolzer, p. 120.

27 Mansvelt Beck, B.J., The Treatises of Later Han (Leiden, 1986), p. 184. Voor deze rampen gebruikt men het karakter 災 zāi waarvan in het geval van zonsverduisteringen alleen de ideologische betekenis genomen moet worden.

28 Idem. p. 184-185.

29 Naar aanleiding van andere tekenen dan zonsverduisteringen of aardbevingen zijn er nauwelijks decreten uitgevaardigd. Ze golden als de ernstigste onder de hemelse en aardse tekenen.

30 Bielenstein, H., "The Restoration of the Han Dynasty, Vol IV, The Government", BMFEA 51 (1979), p. 37.

31 Mansvelt Beck, p. 185.

32 Een zonsverduistering is een natuurlijk verschijnsel, maar werd desondanks als onnatuurlijk beschouwd. Zie noot 27.

33 Bielenstein, H. "The Restoration of the Han Dynasty", BMFEA 26, 1954, p. 150. In 1950 lanceerde Bielenstein in zijn "An Interpretation of the Han Portents in the Ts'ien Han Shu", BMFEA, 22, 1950, p. 127-143, de theorie dat het memorialiseren van tekenen ten tijde van de Han een vorm van indirecte kritiek was op de heerser en diens bestuur. Hiertoe maakte hij grafieken van het gemiddelde aantal tekenen per regeringsperiode die in de HS waren opgetekend, waaruit bleek dat de pieken en dalen der grafieken voor zonsverduisteringen ruwweg hetzelfde verliepen als die voor andere rampen. Deze overeenkomst moet toegeschreven worden aan de mens, aangezien zonsverduisteringen een regelmatig verschijnsel vormen. Bielenstein wijdt deze samenhang aan de praktijk van negeren of memorialiseren van "onnatuurlijke" fenomenen met als doel indirecte kritiek aan de keizer te leveren. Wanneer deze "onnatuurlijke" verschijnselen gememoraliseerd waren, werden ze als voorteken ofwel in de 本記 Běnjì (Annalen) van de HS ofwel in de 五行志Wǔxíng zhì (Verhandeling der Vijf Fasen) opgetekend, of in beide.

34 De eerste regeringstitel van keizer 光武 Guāngwǔ (regeringsperiode 25 - 58 AD).

35 De nummers tussen haakjes zijn door de auteur toegevoegd.

36 De vier karakters 謫見 - 日月 zhé jiàn - rì yùe "reprimandes ... maan" zijn gebaseerd op een passage uit de 左传 Zuǒzhuàn, hertog 昭 Zhāo, 7e jaar. See Legge, The Chinese Classics Vol. V., the Chun Ts'ew (voortaan: Legge, Vol. V), p. 611/617.

37 Het was gebruikelijk dat degenen die memories indienden zich bij deze 公車 gōngjū of staatswagenpoort vervoegden.

38 Van de HS zonsverduisteringen zijn alleen geteld die van de 本記 Běnjì ( Annalen) en die verduisteringen die de 五行志 Wǔxíng zhì (Verhandeling der Vijf Fasen) optekent voor de periode van de Vroegere 漢 Hàn. De 五行志 Wǔxíng zhì (Verhandeling der Vijf Fasen) geeft n.l. ook een aantal verduisteringen van voor de Vroegere 漢 Hàn, maar deze zijn niet meegerekend. Voor de HS bedraagt het totaal dan 57 eclipsen, voor de HHS 72.

39 In feite 25 詔 zhào decreten en 1 制 zhì, verordening. HS decreten n.a.v. zonsverduisteringen: p. 116, p. 268, p. 289, p. 291, p. 307 (NB dit decreet werd uitgevaardigd nadat er een zonsverduistering en een aardbeving op dezelfde dag plaatsvonden!), p. 309, p. 321, p. 323 en p. 343. HHS decreten: p. 49 (2 maal), p. 52 (onderwerp van deze scriptie), p. 106, p. 111, p. 117 (de verordening), p. 130, p. 139, p. 180, p. 206, p. 293, p. 299, p. 314, p. 316, p. 319, p. 329 en p. 381.

40 Gezien de inhoud van dit decreet (永平 Yǒngpíng 6e jaar, 4e maand, dag 甲子 jiǎzǐ; HHS p. 119) en het feit dat het karakter 聖 shèng als los karakter en in een zelfde context slechts voorkomt in het decreet van 建武 Jiànwǔ 7, 3e maand, dag 癸亥 guǐhài , is het aannemelijk dat het decreet van keizer 明 Míng op "ons" decreet van zijn voorganger 光武 Guāngwǔ, betrekking heeft.

41 Wanneer memories werden ingediend, werden ze door de 尚書臺 shàng shū tái (secretarissen der schrijverij) gecontroleerd op onregelmatigheden zoals oneerbiedige aanspreekvormen, foutgeschreven karakters, of het gebruik van taboekarakters, alvorens voorgelegd te worden aan de keizer (Bielenstein, "The Restauration of the Han Dynasty. Vol IV: The Government," BMFEA 51 (1979), p. 35.

42 v. Oppolzer, p. 120. 37.

43 Bodifée, p. 50.

44 馮衍 Féng Yǎn was onder 光武 Guāngwǔ de magistraat van het district 曲陽 Qǔyáng. De tekst van zijn memorie (HHJ p. 63 en HHS p. 977) luidt: ("馮衍 Féng Yǎn diende een memorie in, waarin hij acht zaken uiteenzette:) '(1) Spreid verfijning en deugd ten toon. (2) Prijs het krijgshaftige en het moedige. (3) Koester oude verdiensten. (4) Ontbied dapperen en helden. (5) Maak voorkeuren en afkeuren duidelijk. (6) Vereenvoudig de wetten. (7) Verminder rangen en salaris. (8) Koester de grensgebieden'. (Toen de memorie was ingediend wilde de keizer 馮衍 Féng Yǎn in audiëntie ontvangen, maar naderhand werd dit door laster verijdeld"). Hierna geeft 袁宏 Yuán Hóng een lange uiteenzetting over laster.

45 In de 五行志 Wǔxíng zhì (Verhandeling der Vijf Fasen) van de HS (p. 1500-1506) staan voor de periode van de Vroegere 漢 Hàn 54 zonsverduisteringen opgetekend; in die van de HHS (p. 3357-3372) 72. Betrekt men het commentaar van 劉昭 Líu Zhāo hierbij dan zijn het er 84.

46 Mansvelt Beck, p. 166.

47 De Heyaden in ons sterrenbeeld Stier.

48 Zie voor 隗嚣 Wěi Aó de Achtergronden van dit hoofdstuk.

49 In de huidige provincie 甘肅 Gānsù.

50 In het huidige 內蒙古自治區 Nèi Mēnggǔ Zìzhì Qū (Autonoom Gebied Binnen Mongolië.)

51 Idem.

52 Zie voor 鹿芳 Lù Fāng de Achtergronden van dit hoofdstuk.

53 De nummers zijn door de auteur toegevoegd en corresponderen met die van de boven beschreven "ideale vorm" van tekenvermeldingen in de 五行志 Wǔ xíng zhì (Verhandeling der Vijf Fasen).

54 De 潜潭巴 Qían tán bā is een apocrief van de 春秋 Chūn qīu. De naam ervan wordt verschillend geïnterpreteerd. In de 古微書Gù wēi shū (Antieke Apocriefe Boeken) van 孫瑴 Sūn Jué, een geleerde die actief was tijdens de 明 Míng-Dynastie (1368-1644), worden 潜 qían en 潭tán uitgelegd als de diepten van het water, en 巴 als de meanders ervan. Jack Dull, A Historical Introduction to the Apocryphal (Ch'an Wei) Texts of the Han Dynasty, (Ph. D. dissertation, Ann Arbor, 1966), p. 417 vertaalt het als "The Handle for [Grasping] the Secret and Profound," waarbij hij 巴 als 把, "handgreep," beschouwt. Het werk zelf is verloren gegaan, maar op basis van citaten in andere werken heeft men het gedeeltelijk kunnen reconstrueren. De 潜潭巴 Qían tán bā bevat onder meer een lijst van de rampen die kunnen gebeuren wanneer een bepaald voorteken op een bepaalde dag valt. Hieruit komt ook het citaat dat hier vertaald is. Volgens [錢大昕 Qián Dàxīn (1728-1804) wordt dit citaat in] de 占經 Zhān jīng (Klassieke van de Waarzeggerij) een compilatie uit de 開元 Kāiyuán periode (713-741) in de 唐 Tang-dynastie,) geschreven als 大人崩王者悔之 dà ren bēng wángzhě huǐ zhī "De grote man zal sterven, de ware koning zal daarover treuren" (HHS p. 3375). De 占經 zhān jīng zelf zegt 「癸亥日蝕, 大人崩。」 guǐhài rì shí dà ren bēng en citeert de 易經 Yìjīng (Klassieke der Veranderingen)-geleerde 京房 Jīng Fáng 京房 (77-37 BC): 京氏曰:「癸亥日蝕,天下命終極,聖人更起,不可救止,後大雨水。」

55 De 太中大夫 tàizhōng dàifū (grootgrande van het paleis/palace grandee) had een adviserende functie en behoorde tot de staf van de 光祿勳 guāng lù xūn, (minister van de keizerlijke hofhouding/chamberlain for attendants.) (Bielenstein, The Bureaucracy of Han Times, (Cambridge, 1981), p. 25).

56 鄭興 Zhèng Xīng (courtesy name 少贛 Shǎo Gàn), ambtenaar en literaat tijdens het begin van de Latere Han. Genoot onderwijs van 劉歆 Liú Xīn (✝23 AD) en wordt beschouwd als een specialist op het gebied van de 左傳 Zuǒzhuàn. Het hoogste ambt dat hij bereikte was dat van grootgrande van het paleis. Zijn werk is verloren gegaan, alleen in de 玉函山房輯佚書 Yù hán shānfáng jí yì shū van 馬國翰 Mǎ Guóhàn (1794-1854) is een commentaar op de 周禮 Zhōulǐ overgeleverd: 周禮鄭大夫解詁 Zhōulǐ Zhèng dàfū jiěgǔ.

57 Het voorafgaande jaar was 建武 Jiànwǔ 6.

58 Dit stuk is eigenlijk afkomstig uit de 左傳 Zuǒzhuàn, Hertog Xuan, 15e jaar, zie Legge, Vol. V, p. 326 en 328.

59 Zie Legge, Vol. V, p. 665-666. Aangezien de 6e maand in de 春秋 Chūnqiū gelijk staat met de 4e maand van de 夏曆Xià lì (Xia-kalender) en de Han deze volgt, is dit voorbeeld niet vreemd. Onze zonsverduistering vond weliswaar plaats in de 3e maand op de laatste dag, maar "moest eigenlijk" plaatsvinden op de eerste dag van de vierde maand, daarom noemt 鄭興 Zhèng Xīng hem later "te vroeg" (zie HHS, p. 1222).

60 D.w.z. zon, maan en sterren.

61 Zie Legge, Vol. V, p. 665-666. Het aansluitende stukje in de 左傳 Zuǒzhuàn is interessant: "Daarom zeggen de boeken van de 夏 Xià (zie Legge, The Chinese Classics, Vol. III, The Shoo King, p. 165-168: 'de zon en de maan kwamen niet in harmonie tezamen in het sterrebeeld 房 Fáng (π Sco-Scorpio.) De blinde (muzikanten) sloegen op de trommel, de lagere ambtenaren haastten zich en het gewone volk liep heen en weer'. Dit wordt gezegd van de 1e dag van de maand; het was de 4e maand van de 夏 Xià , die de 1e maand van de zomer wordt genoemd. Merkwaardig genoeg wordt de eclips in de 9e maand geplaatst.

62 D.w.z. 陽 yáng.

63 Afkomstig uit de 左傳 Zuǒzhuàn, Hertog 昭 Zhāo, 7e jaar, zie Legge, Vol. V, p. 611, 612, 617. Hier is sprake van een eclips die plaatsvond in de zomer in de vierde maand, dag 甲辰 jiǎchén, in het zevende jaar van Hertog 昭 Zhāo, volgens Legge gedateerd op 11 maart 534 BC. Toen de markies van de staat 晉 Jìn aan 士文伯 Shì Wénbó, een hoge magistraat, vroeg over de effecten van de eclips, antwoordde deze dat ze in zowel de staat 魯 Lǔ als de staat 衛 Wèi gevoeld zouden worden, maar meer in 衛 Wèi, omdat de totaliteitszone daar begon. Hij meent dat het hemelsteken duidt op een falen in het bestuur van de heerser van 衛 Wèi, en in mindere mate in dat van de hoogste minister van 魯 Lǔ. De conclusie: "Wanneer een staat geen (goed) bestuur heeft, en de besten niet worden aangesteld, dan roept dit vanzelf een reprimande op in de vorm van een ramp van zon of maan, en daarom moet goed bestuur een voorwerp van voortdurende zorg zijn. Daartoe moet men zich voor drie taken inspannen: (1) kies de juiste mensen, (2) heb consideratie voor het volk, (3) volg de seizoenen." [國無政,不用善,則自取謫于日月之災,故政不可不慎也,務三而已,一曰擇人,二曰因民,三曰從時.]

64 堯 Yáo stelde 鯀 Gǔn aan, maar deze bleek koppig en niet ontvankelijk voor raadgevingen, waarop hij werd verbannen (zie Legge, Vol. V, p. 280).

65 Dit verhaal is afkomstig uit de 左傳 Zuǒzhuàn. Hertog 莊 Zhuāng, 9e jaar (zie Legge, Vol. V, p. 83). 管仲 Gǔan Zhòng was niet geliefd bij de hertog, omdat hij ooit een aanslag op hem had gepleegd.

66 Afkomstig uit de 左傳 Zuǒzhuàn, hertog 僖 Xī, 27e jaar (zie Legge, Vol. V, p. 200). 郤縠 Xì Hú (Gu) was de broer van 郤芮 Xì Ruì die aanslagen op hertog 文 Wén had geplanned, maar toch werd aangesteld.

67 In de huidige provincie 河北 Héběi.

68 郭伎 Guō Jì was afkomstig uit 茂陵 Mào Líng in (het prefectuur) 扶風 Fúfēng, in de huidige provincie 陕西Shǎnxī) ± 46 AD. Zie verder de Achtergronden van dit hoofdstuk.

69 大司空 dàsīkòng. De drager van dit ambt vormde samen met die van het ambt van 太尉 tàiwèi (opperbevelhebber) en 大司徒 dàsītú (groot-minister der massa's,) het driemanschap genaamd de 三公 sān gōng (drie dxcellenties) dat het kabinet vormde. Het ambt van groot-minister van werken was op 8 AD ingesteld en de drager ervan was officieel verantwoordelijk voor publieke werken, zoals de bouw van stadsmuren, steden, kanalen en dijken (zie Bielenstein, Bureaucracy, p. 15). Onder hem ressorteren drie van de 九卿 jiǔ qīng,negen ministeries: de 宗正 zōngzhèng, leider van de keizerlijke clan, de 大司農 dāsīnóng, groot-minister van landbouw en de 少府 shǎofǔ, de bewaarder van de geheime schatten. (Bielenstein, Bureaucracy, p. 11). Zie verder de Achtergronden van dit hoofdstuk.

70 In de zeven voorafgaande jaren zijn er echter slechts twee eclipsen genoteerd, die op de laatste dag van de maand 晦 huì vielen.

71 Hiervan wordt echter noch in de 本記 Běnjì (Annalen,) noch in de 五行志 Wǔxíng zhì (Verhandeling der Vijf Fasen) melding gemaakt.

72 De 洪範 Hóng Fàn, (Het Grote Plan) is een hoofdstuk uit de 尚書 Shàng shū dat gegroeid is rond de 洛書Luò shū (Tekst uit de Luo Rivier.") De kern wordt gevormd door 65 karakters, die de vereisten van goed bestuur opsommen. In zijn memorie speelt 鄭興 Zhèng Xīng speciaal in op de volgende passage (Zie Legge, Vol. III, p. 33 Shu Jing V, boek IV, 4): " ... vi. 'Sixth, of the three virtues. The first is correctness and straightforwardness; the second, strong rule; and the third, mild rule. In peace and tranquillity, correctness and straightforwardness (must sway); in violence and disorder, strong rule; in harmony and order, mild rule. For the reserved and retiring there should be (the stimulus of) the strong rule; for the high(-minded) and distinguished, (the restraint of) the mild rule.".

73 Weliswaar geven zowel de 四部叢刊 Sìbù cóngkān (juan 6, p. 2a-2b) als de Taipei editie (p.63) van de HHJ "In de tweede maand op de dag 癸亥 guǐhài ", maar omdat er kalendertechnisch geen dag 癸亥 guǐhài in de tweede maand van het 建武 Jiànwǔ 7e jaar voorkomen, heb ik aangenomen dat het hier derde maand moet zijn.

74 The 四部叢刊 Sìbù cóngkān geeft 奇 , "vreemd" in plaats van 苛 , "streng"

75 zie noot 63.

76 嶽 Yuè - "de belangrijkste der Vier Bergen/de Vier Bergen, hier wellicht "het volk".

77 Zie noot 66.

78 Lees: "er is een vacature in de door de keizer te vullen ambten."

79 Lees: "Dan komt er een eind aan aanbevelingen, die hetzelfde prachtige resultaat hebben als die van 鮑叔 Bào Shū en 趙衰 Zhāo Shuāi."

80 陶唐 Táo Táng is de persoonlijke benaming van 堯 Yáo.

81 Oorspronkelijk komen de gegevens van deze voorbeelden ook uit de 左傳 Zuǒzhuàn, maar omdat ze hier worden naverteld kan men niet echt van "citaten" spreken.

82 Bielenstein, "The Restoration of the Han Dynasty. Vol. III: The People" in BMFEA 39 (1967), p. 106-109.

83 HHS, p. 905, biografie 宋弘 Sòng Hóng.

84 De gemiddelde tijd die tussen ambtsperioden van de opeenvolgende groot-minsters van werken die genoemd worden in de HHS ligt, bedraagt 54 dagen. Er waren in de Latere Han mensen die deze functie bekleedden. De 126 dagen vormen de langste tussenperiode; men kan dus spreken van een crisis.

85 Zie noot 41.

86 Bielenstein (1979), p. 103 e.v. heeft uit de biografieën van de HHS vijf politieke facties gedestilleerd, die gebaseerd zijn op relaties van vriendschap en aanbeveling. Zo onderscheidt hij de Yingquan factie, de Nanyang factie, de Runan factie, de 馬 Mǎ factie en de Dou factie. Namen kende hij toe op basis van plaats van herkomst, of op basis van de naam van een prominente figuur binnen de factie. Zo behoorden 鄭興 Zhèng Xīng, 申屠剛 Shēntú Gāng en 郭伎 Guō Jì tot de 馬 Mǎ factie, die zijn naam dankt aan de centrale figuur 馬援 Mǎ Yuán.

87 HHS, p. 1017, biografie van 申屠剛 Shēntú Gāng.

88 In de biografie van 郭伎[?郭伋] Guō Jì (HHS, p. 1093) wordt er echter pas in het 11e jaar van 建武 Jiànwǔ (35 n.C.), gesproken over personen, die 郭伎 Guō Jì aanbevalen als Groot-Minister van Werken. De keizer weigerde dit echter en wilde dat 郭伎 Guō Jì langer in de grensstreken van het Noordwesten verbleef om zich bezig te houden met de Hunnen en 盧芳 Lú Fāng. Volgens 洪頤煊 Hóng Yíxuān ((1765-1833) "begon het aanbevelen in het 7e jaar en eerder, en duurde tot het 11e jaar omdat er nog steeds geen beslissing over was genomen" (In 王先謙 Wáng Xiānqiān's 後漢書集解 HHSJJ, p. 1149), Shen Qinhan 沈欽韓 (1775–1832) merkt op dat de datering van 郭伎 Guō Jì's biografie wellicht fout is (In 王先謙 Wáng Xiānqiān's 後漢書集解 HHSJJ, p. 1273).

89 Aandacht trekken door middel van westerse wetenschap en techniek; associatie met de geletterde bovenlaag, gebruik van Chinese religieuze termen ter aanduiding van Christelijke begrippen en een tolerante houding ten aanzien van bestaande Chinese rituelen.

90 Onder meer de voorhang van de tempel die scheurt, stenen, die uit zichzelf splijten, de aardbeving en de doden die opstaan uit het graf.

91 juàn 7, no. 24, p. 19.

92 Oorspronkelijk ging het hier om een in schapenleer gebonden album met kleurenplaten. Het was een gift van de prins van Beieren aan de 明 Míng-keizer (崇禎 Chóngzhēn). De prins had Adam Schall verzocht om het album aan de keizer te overhandigen en Schall heeft het voorzien van een commentaar, waarna hij het persoonlijk aan de keizer gaf. Later werden de illustraties nagegraveerd op drukplaten en met het commentaar van Schall gepubliceerd. Zie Hsian Ta, "European Influences on Chinese Art in Late Ming and Early Ch'ing Period", Renditions 6 (1979), p. 159.

93 Schall, p. etc. (sic)

94 Idem p. 54, verg. verder noot 38.

95 Hummel, Eminent Chinese of the Ch'ing Period, Washington, 1944), p. 884-90.

96 Vele Jezuïetengeschriften werden door een Chinese bekeerling van een voorwoord voorzien.

97 楊光先 Yáng Guāngxiān, 不得已 Bùdéyǐ (Beijing, 1665, herdruk Taipei, 1964), p. 1135.

98 En niet, zoals Blondeau p. 229 noot 2 opmerkt, uit Aleni's Chuxiang jingjie.

99 Het stukje "Er moeten in andere landen eerbiedwaardige ambtenaren, die op de hoogte waren van astronomie, geweest zijn en ze moeten het gezien hebben om het op te schrijven in vele boeken" ontbreekt.

100 Zie Schall, p. 54. Hier ontstaat verwarring. Schall noemt de 22e van de derde maand van de westerse kalender. 楊光先 Yáng Guāngxiān noemt de 16e van de derde maand van de westerse kalender, maar meent dat deze gelijk is aan de 22e van de 3e maand van het 8e jaar van 建武 Jiànwǔ = 21 april 32. Wellicht baseert hij zich op 1' het feit dat men in China al vanaf de geboorte begint te tellen, dus als Christus bij zijn dood 33 was komt dit overeen met 建武 Jiànwǔ 8; 2' het feit dat volle maan altijd voorkomt op de 15e of 16e van de maanmaand.

101 De Chinese cirkel heeft 365°.

102 14 april 32 AD

103 17-19:00.

104 Verbiest, p

105 Bayer, T.S. Museum Sinicum (St. Petersburg, 1730), p. 54.

106 Gaubil, Correspondences de Peking, p. 448.

107 Mungello, Curious Land (Stuttgart, 1985), p. 252-253. Het werk was een vertaling van de 四書 Sì shū van het Neo-Confucianistische canon.

108 Bayer, Museum, p. 54.

109 Bayer, Museum, p. 50.

110 Mungello, p. 208-209.

111 Bayer, Museum, p. 50.

112 Opgenomen in Specimen Lexici Mandarinici ... uno Exemplo Syllabae XIM Commonstratum (Berlijn 1684) en Speciminum Sinicorum ... Decimae de Decimis (Berlijn 1685). Het werk heb ik helaas niet kunnen inkijken en omdat ik ook geen samenvatting vond, kan ik naar de argumenten slechts gissen.

113 Kraft, E, "Fruehe chinesische Studien in Berlin" in Medizinhistorische Journal 11 (1976), p. 93.

114 Lundbæk, p. 35-36.

115 "Totalis" heeft Couplet echter zelf verzonnen: het staat nergens in de Chinese tekst.

116 Mentzel, p. 59.

117 Mungello, p. 310.

118 Pinot, V., La Chine (Parijs, 1932), p. 347 en 350.

119 Gaubil, (bij Souciet), p. 171 en Castel, p. 81.

120 Lundbæk, p. 35.

121 De Eclipsi Sinica, p. 40.

122 Lundbæk, p. 36/DEC, p. 40-41.

123 Lundbæk, p. 33.

124 Kirch, p. 134.

125 Kirch, p. 133-134.

126 NB Kirch heeft het niet over Luoyang, de keizerlijke zetel van de Latere Han!

127 Kirch, p. 137.

128 21 april

129 Kirch, p. 139.

130 Gaubil, Correspondence, p. 124.

131 Gaubil, p. brief aan Souciet.

132 Gaubil, p. 326.

133 In Souciet, F. SJ (1673-1739) Observations mathematiques, Astronomiques, Geographiques, Chronologiques at Physiques, Tirees de Anciens Livres Chinois; ou Faites Nouvellement aux Indes et a la China par les Peres de la Compagnie de Jesus, vol ii, "Histoire Abrege de l'Astronomie Chinoise, de l'An 206 avant Jesus Christ [Han] a la fin de Yuan Mongols [1368]", deel 5, p. 163-173. (Parijs, 1732).

134 Gaubil, (1632), p. 165-166.

135 Gaubil (1632), p. 167.

136 Gaubil (1632), p. 173.

137 Castel, p. 81.

138 Castel, p. 82.

139 Gaubil, Correspondence, p. 450.

140 Gaubil, Correspondence, p. 452.

141 Du Halde, p. 362.



© Jan van der Made